Etymologie, Étymologie, Etymology
Wortgeschichte & Wortgeschichten
In Planung 53
Taal
Taal (W3)
(E?)(L?) http://gtb.inl.nl/iWDB/search?actie=article&wdb=WNT&id=M067528&lemmodern=taal
Woordsoort: znw.(v.)
Modern lemma: taal
— TALE —, znw. vr., mv. talen. Mnl. tale; ofri. tale, tele; os. tala, mnd. tale, nnd. tal; ohd. zala, mhd. zal, nhd. zahl; ags. talu, meng. tayl(e) enz., neng. tale; on. tala; de. tale. Verwant met Tal, Talen, Tellen enz. Van den oorsprong is niets met zekerheid bekend. — De oude vorm tale is nog in vast gebruik in de verbinding tale Kanaäns.
De verschillende toepassingen waarin taal gebruikt wordt, zijn niet altijd scherp te scheiden; eenige willekeur was dan ook in het onderstaande onvermijdelijk.
+1. Het door de spraakorganen voortgebrachte middel waarvan de mensch zich bedient om zijn gedachten of gevoelens kenbaar te maken, de spraak. Vervolgens ook toegepast op de aanduiding van dat middel door schrift of druk.
?a. In toepassing op de menschelijke spraak in 't algemeen, of althans zonder dat de gedachte aan één bepaalde taal in onderscheiding van andere (zie daarvoor onder b))) op den voorgrond staat.
De tale is een vroedwyf der zinnen, een tolck des herten ende een schildery der ghedachten, die anders binnen den mensche verborghen ende onzichtbaar zyn, COORNHERT, vóór Kort Begr. 1, IX. Die de subtijlste tale, en onghemeene woorden gebruycken, en zijn de welsprekenste niet, maer die-ze best naer tijd en stoffe, konnen voeghen, de brune, Bank. 1, 225 [1657].
De kunstige Taal … zal een zamenvoeging zijn van onderscheidene en willekeurige klanken, welke geen ander verband hebben met de denkbeelden die zij uitdrukken, dan 't geen voortkomt uit het onderwijs, en steunt op de gemaakte overeenkomst, CHOMEL 3587 b [1775].
Die zuiverheid van gekuischte taal (t.w. bij Cicero); die keus van juiste en schilderachtige woorden, v.d. palm, Red. 2, 8.
Ik dacht in gemeenzame taal: want wie is er deftig, wanneer hij denkt? geel 77 [1838].
De figuurlijke taal, 185.
Die rede zong, gelijk men beweert, in de kinderjaren van het menschdom. … Hare uitdrukking geleek nog niet naar de volkomene taal der beschaving, 268.
”En is 't van Tollens niet — het is hem nagezongen”, schreef Messchert. … Mij heugt de tijd, dat men geen glas hippocras kon drinken … bij het aanteekenen, — geen kandeelstok roeren in eene kraamkamer enz. …, of men moest er een vers bij slikken, in den trant … van den man, wien studie de kunst leerde met de taal te tooveren, potgieter 1, 280 [1837].
In de geheimen van taal en stijl … niet ingewijd, en daardoor tot het recht genieten van een aantal schoonheden onvermogend, beets, Versch. 4, 44.
Hunne taal is even onvolmaakt als zij (de menschen) zelf zijn, maar het grootsche is juist de rustelooze opeenvolging van al die verschillende phasen, KLUYVER, Eenh. en Verscheidenh. in de Taal 25.
?— Wel (enz.) ter tale zijn, welbespraakt zijn.
Wel ter talen zijn. Estre bien enlangagé, plant. [1573].
— Een Boerinne worde van een Courtisaen gevrijt, Die sich liet beduncken dat hy wel ter tael was …, Na sijn sprake wanende dat hy een Wael was, Dacht, ick wil niet hebben … Een krom-tongh enz., VISSCHER, Brabb. 58 [c. 1600].
Doe wierd daer sterck gescheld, midts quamen in de kamer Twee mannen, braef ter tael; ick hoorde noyt bequamer, starter 225. Want ick ben gantsch niet ter tael, en met woorden moet mese (t.w. de vrijsters) voên, 424.
Dien die kloeck ter tale is, Statenb., Jes. 3, 3 [ed. 1688].
Waarlijk, meester, gij zijt goed ter tale; ik heb lang gedacht, dat er meer in u stak, dan gij wilt laten blijken, consc. 2, 356 a [ed. 1868].
Een knap man …, die flink ter tale was, KNEPPELH. 8, 72 [1857].
Gij zijt niet slecht ter tale? sleeckx 8, 383 [1863].
?b. In toepassing op het middel van geestelijk verkeer tusschen de leden van een bepaalde menschengemeenschap, t.w. een volk, een natie enz., in onderscheiding van hetgeen andere dergelijke gemeenschappen voor hetzelfde doel gebruiken. Zonder nadere bepaling wordt die taal bedoeld, welke door de gemeenschap of in het land waarvan sprake is, gebezigd wordt.
Dies hen luy (t.w. de rederijkerskamers) het zuyveren, verryken ende vercieren des taals (ende niet het rymen alleen) eyghentlyck betaamt, Kort Begr. 1, III. Deur dien sy met veel vreemde natien handelen ende omgaen, soo connen sy veel talen spreken, als Spaens, Engels, Francoys ende Duyts, O.-I. e. W.-I. Voyag. 5, 4 a [1602].
Benaminge (van de jicht) in verscheyde Talen, v. beverw., Schat d. Onges. 2, 105 a.
Het (zal) aan de cadets niet alleen gepermitteert zyn eenige inlandse talen … aan te leren, maar men zal dezelve ook daartoe moeten houden, N.-I. Plakaatb. 5, 82 [1743].
Al mijne hoop ligt nog alleen bij de geestelijkheid. Deze moet bij onze bevolking den Duitschen geest opwekken, taal en zeden herstellen, willems, Br. 166 [1839].
Te rekenen van den eersten Januari 1823 zal in de opgenoemde provincien Limburg, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Antwerpen geene andere taal dan de taal des lands, voor de behandeling van openbare zaken, erkend of gewettigd zijn, Besl. v. 15 Sept. 1819 (Stbl. 48), a. 5. Alle … akten … zullen voortaan, in het geheele Rijk kunnen worden opgemaakt in de taal, welke de belanghebbende partijen verkiezen, Besl. v. 4 Juni 1830 (Stbl. 19), a. 1. Wie thans een der in het Fransch door Amalia geschreven brieven in handen neemt, herkent daarin de beschaafde vrouw niet. Aan taal en spelling wordt meer dan gewoon geweld aangedaan, veegens, Hist. Stud. 1, 236 [1876].
Of zouden er misschien geene meer zijn, die evenmin de taal van eenen Vlaming verstaan als 't geknor van een ziek varken? DE VOS, Vl. Jong. 141. Die taal, die na vijftien jaar lang de officiëele taal des lands geweest te zijn nu tot een samenraapsel van ellendige tongvallen verklaard werd, ROOSES, Schetsenb. 67. Van zijne aankomst (te Gent) af werd hij (Willems) daar eerevoorzitter der maatschappij ”de Taal is gansch het Volk”, 84.
Te haten ook begon zij den rauwen klank der taal (t.w. het Engelsch), v. eeden, K. Meren 405.
?— Een taal hanteeren, zie HANTEEREN, III, 3); — spreken.
Al waer 't dat ick de talen der menschen ende der Engelen sprake, Statenb., 1 Cor. 13, 1 [ed. 1688].
?— Iemands taal is in den regel de taal van hem en zijn landgenooten, onze taal die van spreker en zijn landgenooten; er kan echter ook de door hem of ”ons” gewoonlijk gesproken taal bedoeld zijn.
Ik doorwroet ons grondwoord-ryke taal, SPIEGHEL 7. Ick heb u volkomelick gekent, gelijck wy in onse tale seggen, by name ende toename, Statenb., Jes. 45, kantt. 15 [ed. 1688].
Uwe Britsche en Hoogduitsche voorgangers hebben daar van, ten opzigt van hunne taalen, de bespottelykheid aangetoont, v. effen, Spect. 7, 133 [1733].
Ook de meest bevooroordeelden (moeten) bekennen, dat wij het recht hebben om in onze taal gevonnisd, bestuurd, onderwezen te worden, J. V. RIJSWIJCK Jr. 2, 2.
Een teêr gevoel van liefde voor zijn land, van liefde voor zijn taal, werd … in hem wakker, couperus, Metam. 3.
?— Mijn (enz.) moeders taal, de moederlijke taal ('t laatste thans in N.-Nederl. niet meer in gebruik), de taal die ik (enz.) van mijn (enz.) moeder heb geleerd, mijn (enz.) eigen taal, mijn (enz.) moedertaal; zie voorbeelden Dl. IX, 924; 936; en nog de volgende aanhalingen.
Derhalven ick voor my nam myn moeders taal weder in haar oude ere te brenghen, COORNHERT, vóór Kort Begr. 1, VII. Vr. Is het iemand verboden den Bijbel te lezen? A. Ja, het is aan gemeene lieden verboden zonder oorlof dien te lezen in de moederlijke taal, Mech. Catech. 4, 5.
?— Een vreemde taal.
Datick bemerkende de overvloedighe ryckdommen onzer Nederlandscher talen enighen onlust, daar inne nam datmen zo ghantschelyck zonder alle nóód ghewoon was te lenen ende te lortsen van vreemde talen, t'geen wy zelve meer ende beter t'huys hadden, COORNHERT, vóór Kort Begr. VII. Soo veel mans zijn in eenen man Als hy vreemde talen kan, cats 1, 556 b [1632].
Indien ick in een vreemde tale bidde, Statenb., 1 Cor. 14, 14 [ed. 1688].
Ik wist niet, dat je, om Dominé te worden, zo veel vreemde talen most leeren, WOLFF en DEKEN, Leev. 7, 362 [1785].
Twee frissche knapen, die eene vreemde taal spraken en toch hun Vlaamschen oorsprong op hun gelaat droegen, loveling, D.E. 5 [1891].
?— Oude talen, zie Dl. XI, 1537; nieuwe talen, moderne talen: van den tegenwoordigen tijd, inzonderheid Fransch, Engelsch en Duitsch.
Een juffrouw, bekend met de moderne talen, naeff, Veulen 128.
— De klassieke talen, Latijn en Grieksch, zie bij KLASSIEK.
— Oostersche talen; zie Dl. XI, 217.
?— De nederlandsche, fransche, latijnsche taal, enz.; germaansche, romaansche, indogermaansche, semietische, maleisch-polynesische talen, enz. Hierachter volgen een paar oude voorbeelden.
Troostich Confoort, een personage als een zeeman, sprekende Zeeusche tale, everaert 182 [1526].
Den Schat der Duytscher Talen, Titel v. e. werk v. J. V. D. WERVE. Een Collegium …, tot institutie van alle Scholieren in Latijnsche, Griecksche ende Hebreeuwsche Talen, Resol. Holl. v. 2 Jan. 1575, blz. 2.
— Een arme, een rijke taal: die weinig, veel kan uitdrukken. Zie voorbeelden bij ARM, B, 2) en RIJK, I, A, 4, h).
?— Een doode, levende taal; zie Dl. III, 2847; VIII, 1770; en nog achterstaand voorbeeld.
Dat de beste leerjaren van den knaap ingenomen worden met de taak om eene gebrekkige kennis van twee doode talen te verkrijgen, vissering, Herinn. 3, 156.
?— Een beschaafde taal, de taal van een beschaafd volk, in tegenstelling met de taal van ”wilden”.
De talen die het minst beschaafd zijn, zijn het rijkst in klanken, beets, Sparsa 40.
?— Met de talen worden hier te lande thans in den regel Fransch, Duitsch en Engelsch bedoeld, voorheen veeleer Fransch, Latijn en Gricksch.
Myn Broer leerde te Amsteldam de Taalen enz., was veel by myn Heer L., en onder het opzicht van Mevrouw. In de vacantie bragt hy zyn Vriendje altoos mede, WOLFF en DEKEN, Leev. 3, 132 [1784].
Hij spreekt zijn talen uitstekend. poëem WNT
— Zegsw. In alle talen zwijgen, volkomen zwijgen, ”zwijgen als een mof”; zie bij ZWIJGEN.
?c. In toepassing op de eigenaardige uitdrukkingswijze — gewoonlijk binnen de grenzen van een taal in de bet. b) — van een bepaalde groep of kring in den ruimsten zin, t.w. van hen die een zelfde beroep uitoefenen, tot denzelfden stand, godsdienst of leeftijd behooren, tijdelijk of voortdurend in gelijke omstandigheden verkeeren enz.; een ”groepstaal” of ”kringtaal”.
Langhe woorden voegen best de langhe slippen … Een mannelicke tale moet kort en geschort wezen, de brune, Bank. 2, 277 [1658].
Het vermaerde Latyn, dat thans, hoewel verstorven, nog de algemeene Tael der Geleertheid is, l. ten kate, Aenl. 1, 61.
Meermaal deed gy my verstaan, dat gy u, zo als wy lieden van fatsoen, die onze termes des arts hebben, dat noemen, zeer zoud verëerd achten met een brief van myne waarde hand. Ik, die ook zo taamlyk de taal der groote waereld ken, beantwoordde dit compliment, als een meisje, die begrypt, dat het niets dan een compliment zyn konde; het en vogue, ”gy hebt zeer veel goedheid, Mevrouw,” daar by voegende, WOLFF en DEKEN, Leev. 2, 111 [1784].
De oratio viri eloquentis en de vulgaris sermo, dat is, de welsprekende en gemeenemans taal, fokke, Verz. W. 10, 278.
Onze vaderen waren niet gehouden braver te zijn dan de andere koloniale mogendheden. … Het eenige wat men zeggen kan is dat werkelijk hunne bijbelsche taal en hun schermen met het geloof eene min of meer schreeuwende tegenstelling vormden met hunne winzucht, busken huet, Rembr. 2, 2, 165 [1884].
Dat God u (een kind) beware voor ons valsch, Ons afgesproken taaltje, de gÉnestet 2, 38.
De uitdrukking Winst heeft in de taal van het dagelijksch leven geen vaste beteekenis; nu eens omvat zij veel, dan weinig, PIERSON, Leerb. d. Staath.³ 1, 258.
Vertaalt de juridische taal in 't Vlaamsch, het baat een eenvoudig mensch maar weinig, vermeylen, Opst. 1, 64.
Als wij de litteraire taal niet slechts als een ons in den schoot geworpen speeltuig willen bespelen en bewonderen, maar ze ook in haar organisch-socialen groei willen kennen en zien ontwikkelen, V. GINNEKEN, Handb. d. Ned. Taal 2, 1.
De Roomsche taal (is) bij voorkeur Vlaamsch-Brabantsch, Ald. Dichterlijke taal kenmerkt zich vaak door beeldspraak en min gebruikelijke woorden. Het Pali is de heilige taal der zuidelijke Boeddhisten op Ceylon. poëem WNT
?— Een beschaafde taal: van beschaafden.
De vereischte Klanken eener beschaefde Taele … door Letterteekenen uit te drukken, l. ten kate, Aenl. 1, 114.
De Beschaafde taal (Sermo viri eloquentis), fokke, Verz. W. 10, 279.
?— Ook in toepassing op de eigenaardige uitdrukkingswijze van een bepaald soort van geschriften wanneer die door lieden van een bepaald vak worden samengesteld.
De taal der wetten is dikwijls verre van fraai. poëem WNT
— In de tale Kanaäns heeft taal oorspronkelijk de bet. b); de verbinding als geheel is de naam voor een kringtaal geworden; naar het schijnt is dit gebruik in Frankrijk ontstaan: zie Dl. VII, 1210 volg.; V. SCHELVEN, in Tijdschr. 44, 232 volgg.
?d. In toepassing op de uitdrukkingswijze van één persoon (of meerdere samenwerkende personen), op den vorm — wat betreft woordvormen, zinsbouw, woordgebruik enz. — waarin hij zijn gedachten giet; in 't bijzonder op dien vorm zooals men hem aantreft in 't werk van een redenaar of schrijver, of in een geschrift (of een reeks van geschriften); het taaleigen of idioom.
Uwer E. lofzang, ujtbrommende de daeden van den Dujtschen Heldt, heb ik wel vroolijk geneurijt, en 't hart daer in opgehaelt, met verbaestheit over de pracht der taele, en den overvloedighen rijkdoom der vonden, HOOFT, Br. 3, 302 [1639].
Een jongsken, … rijck en soet van tael, VONDEL 2, 536 [1626].
Haer Tonge (t.w. die van de menschen die nooit bidden enz.) … is meesterlijck ervaren inde Tale Belials, sprankhuisen 3, 28 a.
Hoe! zou ik melden al de onsterfelijke daden, Voor de eeuwigheid gegrift in 's lands historiebladen? … mijn taal Waar te arm, mijn tong te zwak, voor 't goddelijk verhaal, helmers, Holl. N. 45 [ed. 1814].
Hij oefent zich waarachtig te zijn; d. i. zichzelven te zijn, zijn eigen hart te volgen, zijn eigen taal te spreken, en zich te toonen zooals hij waarlijk is, beets, St. Uren 8, 91 [1875].
Eene bewijsvoering als ik hier mededeelde laat zich in de taal van den Heer Groen zeer goed lezen, want hij is uitnemend stilist, buys, Stud. 1, 73 [1866].
De taal van Béranger (is) niet zoo frisch en rijk als die van Lafontaine, Quack, Stud. 294 [c. 1880].
Dat bij den Graaf van Leicester, niettegenstaande zijne zalvende taal, de staatsman boven den Puritein ging, de beaufort, Geschiedk. Opst. 1, 27 [1881].
Vondel's taal, Titel v. e. werk v. W. L. V. HELTEN. Klank- en buigingsleer van de taal des Statenbijbels, Titel v. e. werk v. J. HEINSIUS. Taal en stijl van dat opstel laten veel te wenschen over.
+?2. Datgene wat iemand zegt, zijn woorden. Ook in fig. verband.
Hu biddic dat ghy wilt voeren myn tale Ende leeden ter sale, daer jcse mach scauwen zaen, everaert 62 [1511].
Oock leerde ghij (Luther) vrijheyt voor duitschen en walen; Hier mede creecht ghij eerst audientie, Want tghemeyn volck verheucht van selcker talen, A. BIJNS 166. (Hij) beval dat N. met korter talen Syn redene zou terstont verhalen, v. ghistele, Virg. Aen. 176 a.
Daer nae veranderde Christus syn tale, seggende: Maria: Maria, sprankhuisen 6, 15 b.
Doch …, de Taele van een oprecht Christen en is niet alleen dese in 't gemeen, Ick gelove in Godt: Maer oock in t'besonder dusdanich, Ick enz., 8, 42 b.
Maar zy, van een zeer opgeblazen aard, en niet gewoon zynde, zulk een taal te hooren, of die te gehoorzamen, lieten hem maar voortpraten, valentijn, O.-I. I, 2, 346 b [1724].
Gemene praatjes, straatwoorden …, oneerbare taal, en wat dies meer is, kan in genen dele geleden worden, NYLÖE, Aanl. tot de Nederd. Taal 11. Ik heb, dit was uw (Gods) taal, een vast verbond gemaakt Met mijnen gunsteling, Psalmber. 89, 2.
Toen in mijn cel der wijzen stille taal … Mij vermaakte, NIEUWLAND, Nag. Ged. 4. Onze houding en taal bevallen hier algemeen, FALCK, Br. 319. ”Wij zullen zien, wie hier het laatst zal lachen!” — ”Laat af met die taal, Gumbert” riep de jongeling. ”Wie zich hier bedriegt, zijt gij alleen”, consc. 4, 160 a [ed. 1869].
De man, die …, al vloekende en tierende, zijn vuile taal tegen ieder … uitbraakte, quack, Soc. 1, 347.
Hij had … den brief geopend. … En hij las thans die taal van smart en van berouw, couperus, E. Vere 2, 173 [1889].
Gemeene taal (zie een voorbeeld Dl. IV, 1371). Dat is taal ( dat is flink gezegd)! zoo mag ik 't hooren!
?— Taal voeren, gebruiken, spreken; inzonderheid: een zekere taal voeren enz., op zekere manier spreken.
Hoorde hem en passant eenige tael voeren tegen Wiljet al ofte Zeelhem wel soude willen verkoopen, C. HUYGENS Jr., Journ. 2, 299 [1693].
De Kinderen … weten zelf reeds Tael te voeren en de natuer' der Klankleidingen te volgen, l. ten kate, Aenl. 1, 9.
Zulk een taal te mogen voeren …, Dit is uw doel, Aanh. op WOLFF en DEKEN, Leev. 280 [1786].
Vergeef niet! wees onverbiddelijk! Dit is geene taal van een' mensch, noch tot een' mensch! En hij, die tot u, Cajus Cézar, deze taal gebruikt, zal eer zijne eigen menschelijkheid afleggen, dan u de uwe te ontwringen! v.d. palm, Red. 2, 24.
Dat menschen, die zulk eene taal voeren, zich geregtigd achten te vertrouwen, FALCK, Br. 312. Wiens lippen spraken deze taal? Wie durfde aldus bevelen geven? v. lennep, Poët. 1, 33 [1828].
Die zinsnede bevatte de bedreiging, dat men bij weigering gedwongen zou zijn een andere taal te spreken. Die andere taal zou daarin bestaan, dat de prins … aan ieder lid van den raad persoonlijk zou vragen, of hij de Unie mede wilde helpen handhaven, de beaufort, Geschiedk. Opst. 1, 79 [1889].
?— Iemand taal en antwoord geven. Verg. de bet. 6).
Yeghelijck zult gheven andwoorde en tale, DE DENE bij DE BO [c. 1560].
Dat hy daer met eenen persoon ghediscoureert hadde die hem tael ende antwoordt ghegheven hadde met soo goede rede als iemant soude connen doen, VERSTEGANUS bij DE BO [1620].
Zij weet ieder taal en antwoord te geeven als een David, WOLFF en DEKEN, Wildsch. 4, 37 [1793] (zie ook wolff en deken, Wildsch. 4, 201 [1793]).
Ik zal hun wel moeten taal en antwoord geven, zoo ik in hunne tegenwoordigheid blijf, CONSC. 3, 338 b [ed. 1868] (zie ook rutten [1890]).
?— Met taal en daad, met woord en daad.
Hij zal zijne gezegden met taal en daad gestand doen, consc. 3, 175 b [ed. 1868].
?— Iemand ter tale staan, hem te woord staan.
Aensprekers inden morgen Moet ick ter taele staen, en deelen in haer' sorgen, En helpense te recht soo veel recht lijden kan, huygens, Cluysw. 19.
?— Taal noch teeken (zelden: — schrijven), geen enkel bericht.
Soo menighen Schip daer noyt tael ofte teecken afghecomen is, v. linschoten, Itiner. 121 a [1596].
Oover een' rujme wijle heb jk aan UE. geschreeven, en antwoordt verwacht: maar taal nocht teeken vernoomen, HOOFT, Br. 4, 134 [1644].
Geen der ommelanden Oit tael of teken broght, waer Duinrijcks weduw bleef, VONDEL 5, 654 [1647].
Sy (souden) gequetst, en in een boerenhuys besprongen, aldaer zyn verbrant, om datter noch tael noch teecken, van hun te voorschijn is gekomen, PERS, Ontst. Leeuw 471 a.
Se (wierden) in een kamer op-gesloten, soo datse noch tael noch teycken aende hunne kosten geven, 836 a.
Zoo zal de E. Compagnie … te hulpe komen, bestrydende, en verdelgende den contraventeur van deze onze ordre, tot dat 'er geen taal of teeken van hare negery ofte van hunne namen meer gehoord zal werden, bij valentijn, O.-I. II, 2, 220 a [1664].
M. (kreegh), in d' eerste vier weecken geen tael noch schrijvens, in Oud-Holland 1912, 145 (a°. 1678).
Er gaat somwijlen wel een heel jaar om dat ik van S., noch zij van mij, taal noch teken krijg, wolff en deken, Wildsch. 3, 56 [1793].
Ik geloof dat uwe druktens van de verkoopingen u wel zouden belet hebben mij taal of teken van u te zenden, 4, 29.
't Is raar …, er is nooit iemand voor de bonne, en ze heeft nooit taal of teeken van iemand gehad als met de post, v. lennep, K. Zev. 5, 168 [1865].
Klara … had maar eens geschreven … En na dien brief, waarop de ouders in een lang epistel dadelijk geantwoord hadden, taal noch teeken! schimmel, B. v. Omm. 1, 188.
?Oneig. voor: geen enkel overblijfsel, geen spoor.
Onse ruijters naderhandt de plaetse van 't gevecht heen en weder doorcruijsende vonden noch tael noch teicken meer van vijandt, Daghreg. Bat. 9, 3.
Daar van is taal, noch teken. Dat is, niet het allerminste overblyfzel, en 't is geheel uit de gedachtenis, tuinman 1, 369 [1726].
?— Geen taal, taal noch teeken geven, geen teeken van leven geven. In een groot deel van Z.-Nederl.
Moeder es stijf ziek: ze ligt al twie dagen zonder tale te geen, TEIRL. Hij leet daar zonder taal of teeken, van dat hij die geraaktheid gehad héet, CORN.-VERVL. (zie ook DE BO [1873]; JOOS [1900-1904]; RUTTEN [1890]; CLAES, Bijv. op tuerl.).
?— Taal scheppen, bericht krijgen, inlichtingen ontvangen. Zeldzaam.
De steedelingen, hoorende 't schieten …, hadden wel zes uytvallen gedaan om taal te scheppen: maar luttel verricht, hooft, N.H. 768 [1642].
?3. Bij uitbreiding toegepast op eenig ander middel om iets mede te deelen.
Het Leger, de Stadt, en Borghers met schieten en anders soodanigh triompherende (over zekere overwinning), datmen in Vrankrijck die tale sonder Tolck seer wel konde verstaen, Holl. Merc. 1652, 32 a [1659].
Een vrouw, voor het theater sittende, speelde op 't hackebord en leyde de tael vande marionnetten uyt, C. HUYGENS Jr., Journ. 2, 9 [1692].
Een trommelslag, een klokgelui, een wind, een klappen met de vingeren, het maatslaan van een orchestmeester, … 't hieroglyf, enz. dit alles is spraak of taal, BILD., Spraakl. 2. Arglistigheid zag kans, om toch haar doel te raken: Een taal van teekens bood haar hulp aan sluikerij, staring 1, 129 [1790].
?4. Bij uitbreiding met betrekking tot dieren. Het middel waardoor zij kenbaar maken wat in hen omgaat, hetzij een geluid dat zij voortbrengen of iets anders.
Den nacht uyl was ooc met een huylende tale Des doots zanc zinghende, v. ghistele, Virg. Aen. 69 a.
De dieren verkondigen haar (de ”Godlyke liefde”) in hunne taal, Aanh. op WOLFF en DEKEN, Leev. 102 [1786].
Een Beest, aan de natuurlijke taal bepaald, is onkundig van alles wat verder gaat dan zijne behoeftens, en de voorwerpen die daar aan kunnen voldoen, CHOMEL 3588 a [1775].
Hij had van jongs door 't woud gezwierd, De taal geleerd van al 't gediert'; Hij wist hoe 't loeit of blaat of fluit, tollens 10, 50 [1848].
Dat de bijen … noodzakelijk eene taal, welke dan ook, moeten hebben, om elkander den uitslag hunner nasporingen mede te deelen, Alb. d. Nat. 1857, 1, 381 [1857].
?5. Door verschillende zaken, in 't bijzonder de oogen, het hart en de ziel, te personifiëeren, komt men er toe ook datgene waardoor zij zich uiten of iets kenbaar maken (of dit heeten te doen), taal te noemen.
De mond sprak steeds de taal van 't harte, Psalmber. 17, 2.
Zyne oogen scheenen my te dreigen. … Die taal is my zelden toegesprooken, WOLFF en DEKEN, Leev. 7, 228 [1785].
Daar is een taal van wondre magt …: Ze bruist niet in een' woordenvloed; Ze dringt onmerkbaar in 't gemoed. … Het is de taal der oogen, spandaw 1, 171 [1836].
Ge laast de taal der zielin 't schittrend oog, v. zeggelen 6, 115 [1853].
Eene zoete samenspraak (had) de stille taal der oogen vervangen, consc. 3, 77 b [ed. 1868].
Terwijl de lage heester tiert, De distel 't ruige vlashaar zwiert, En 't jong plantsoen … Met bladgeruisch de stonde viert; En allen in hun talen roepen: Vanwaar die zwarte stomp, die 's heuvels top ontsiert? meyer, Heemsk. 198 [1848].
De echte muziek is de taal des gemoeds, en wanneer zij uit het hart en tot de harten spreekt, dan verstaat of liever gevoelt het stamelend kind zelf hare minste klanken, consc. 2, 260 b [ed. 1868].
Deze spitsvondigheid om een allegorischen zin, hoe verborgener hoe liever, in de wapens te vinden, werd Armilogia of de Taal der Wapens genoemd, RIETSTAP, Handb. 14. Geen taal, hoe klaar en diep van zin, Die bij dees één het haal, Geen, die in rijkdom overwin' Des harten schoone taal, ramboux, Ged. 73.
+?6. Antwoord. In 't Vl. en Antw.
Hij was misnoegd en weigerde mij zijne tale, DE BO [1873] (zie ook TEIRL.).
Ik heb 'em geschreven, maar hij geeft geen taal, CORN.-VERVL.
— Hierbij kan ook het onder 2) genoemde taal en antwoord behooren, althans voorzoover het gebruik in Z.-Nederl. betreft.
7. Datgene wat in rechte wordt gezegd. In dezen zin na de ME weinig of niet meer gebezigd; zie de koppel. taalspreken beneden bij de Samenst. enz., en verg. taalsprake en -spreker ald.
?8. Uit de bet. 1, b) ontstond het, thans verouderde, gebruik van taal voor: volk, natie.
De Prins … maakte zyn eerste werk, van ouwtscheepenen, wykmeesters, oovermannen van ambachten, koopluiden van allen taalen, geestelykheit, en anderen, yeder bezonder te hooren, hooft, N.H. 88 [1642].
Volckeren uyt diverse quartieren ende verscheyden talen, N.-I. Plakaatb. 1, 431 [1639].
Zy (de Johanniterorde) wert gesticht omtrent zeshondert jaer geleên, Uit onderscheide tael, ten dienst van 't algemeen Behantvest en vermeert, om 't kruisgeloof te vryen Voor inbreuck van den Turck, VONDEL 10, 8 [1662].
?9. Spreekvermogen, spraak. In Antw.
Hij is nog nie' ter taal gekomen (hij heeft de spraak nog niet weergekregen, sprek. van iemand die in bezwijming ligt), CORN.-VERVL.
?10. Stem. In een groot deel van Z.-Nederl.
Een mensch met eene grove tale, DE BO [1873].
Blyde blyde nachtegale, Eerlyk en van schooner tale, GEZELLE bij DE BO [voor 1873].
Ik kenden 'em aan de taal, CORN.-VERVL. Ik heb vandaag zijne taal nog niet gehoord, CLAES, Bijv. op tuerl.
Afl. Talen, vertalen, wantaal (zie die woorden).
— Verder: Taalbaar, welbespraakt (”Taelbaer. Facundus”, KIL.; — ”Wanneer wy, in de schild van Vrankryk, waaren, … verheught, in Rhynschen muskadel, Des naanoens, met den taalbaren Kapel, Wat waaren wy, in taalen, niet ervaaren? Wy kliefden, op een haairtjen, meenigh woord, In Italjaans, Frans, Duits, en als Latynen”, SIX V. CHAND. 175 [1657]).
— COMENIUS bezigt een, blijkbaar door hem gevormd, znw. ontaligheid voor: iets dat strijdt met wat men in zekere taal zegt (”Op dat 'er niet begaen en worden Ontaligheden (tael-woestheydt) of Ondege woordt-voegingen”, COMENIUS, Deure d. Taalen 224 [1666].
Samenst., samenst. afl. en koppel. Taalgeleerde, taalgevoel, taalgrens, taalkunde, taalkundig (II), taalkunst, taallieden, taalman (I-II), taalstudie, taalwetenschap, talenstudie (zie die woorden of het tweede lid).
— Verder: Taalaard, aard van een taal of van talen (”Indien 'er … eenig Volk van verscheidene Tael onder een vermengt raekt, zo zal 't Vermengsel van Woorden en Tael-aerd zoodanig veranderen, als” enz., L. TEN KATE, Aenl. 2, 12)
Taalaccoord (”Gy …, Tijd- en Nijdverwinnende Dichtkunst! … Op wier gewijde taaläkkoorden De geest ten hemel stijgt”, BILD. 8, 47 [1777])
taalambtenaar (”Koninklijk besluit van 10 Februari 1917 …, houdende regelen in zake de opleiding van studenten tot Indisch taalambtenaar”, Stbl. v. N.-I. 1917, n°. 506, Opschrift; verg. a. 1: ”De betrekking van ambtenaar voor de beoefening van de Indische talen”)
taalanalyse (”De kultuurmenschen (hellen er) zoo licht toe over, hun door nadenken gewonnen taalanalyse ook in het dagelijksch gebruik te volgen: een samengesteld woord of konstruktie wordt weer in zijne elementen uiteengelegd”, V. GINNEKEN, in N. Taalg. 4, 253)
taalbederf (”Een ander taalbederf … in de algemeene boektale te doen overgaan”, Biekorf 4, 64; ”Taalbederf is landsbederf en taalverminking landsverraad”, PH. J. SIMONS, in N. Taalg. 19, 27, ironisch bedoeld)
taalbedervend (”Soortgelijke ”oefeningen” keuren wij niet af als te moeielik, maar als taalbedervend”, N. Taalg. 11, 253)
taalbeginsel (”Zal ik over onze taal spreken, of, met nog dieper blik, in de algemeene taalbeginselen indringen?”, GEEL 4 [1838])
Taalbegrip, begrip, ook in den zin van: opvatting, van taal (”Vooral zij, die de pen zullen hanteeren, (moeten) dit taalgevoel door opzettelijke studie verder ontwikkelen tot taalbegrip of taalinzicht”, DE VREESE, Gallicismen XLII; ”Hier is de nieuwe wetenschappelike metode ten volle toegepast: feiten konstaterend …, die dan verklarend, en niet die met de ‘grammaire raisonnée’ veroordelend. Maar 'en heel enkele keer komt 'et ouwe taalbegrip noch eventjes uit”, BUITENRUST HETTEMA, in Taal en Letteren 6, 314)
Taalbehandeling (”Op welken grondslag een Taelbehandeling rusten moet”, L. TEN KATE, Aenl. 1, 6)
Taalbelang (”Een blijk hoe diep mij het taalbelang … ter harte ging”, BEETS, Sparsa 28)
Taalbeoefenaar (”Ook voor den wetenschappelijken taalbeoefenaar zijn die technische benamingen niet zelden van groot aanbelang”, M. DE VRIES, Inl. Wdb. XLVII; ”Nog meer taalkennis …, dan gewoonlijk van den taalbeoefenaar wordt gevorderd”, TE WINKEL, Ontwikkelingsg.² 1, 90)
Taalbeoefening (”De taalbeoefening te populariseeren”, VERWIJS, in T. - en Letterbode 1, 7)
Taalbeschouwing, beschouwing, opvatting, van taal (”De taalbeschouwing van Lambert ten Kate”, Titel v. e. art. v. C. G. N. DE VOOYS in N. Taalg. 17, 65 volgg.)
Taalbeschrijver (”Inleyding tot de Grondregels der Vlaemsche Spraek- en Spelkonste, aentoonende de Verwarring, verschillig Gebruyk en Misbruyk dezer Taelbeschryvers”, Titel, a°. 1785)
Taalbeschrijving (”De Nederduytsche Spraec-konst Ofte Taelbeschrijvinghe …, door Christiaan van Heule”, Titel)
Taalbestier, Taalbestuur (”'t Is geen wonder …, dat onze Voorouders zo lange zij in hare eenvoudige levensplooi gebleven zijn, ons geene beschrevene Wetten (nogt' in Staet- nogt' in Tael-bestier) hebben nagelaten”, L. TEN KATE, Aenl. 1, 11)
Taalbeweging, beweging in het belang van zekere taal (”De Vlaamsche Beweging mag niet slechts een taalbeweging zijn, maar een maatschappelijk streven in den breedsten zin van 't woord”, VERMEYLEN, Opst. 1, 58)
Taalbloei, b.v. als titel van een bloemlezing, bewerkt door M. A. P. C. POELHEKKE
Taalbloot, op achterstaande plaats, in tegenstelling met tael-rijck, voor: geen talen kennende (”Ellendighe menschen! die zoo taelblood zijn, dat-ze die van haer moeder verliezende, met de mond vol tanden, maer zonder tonge staen en kijcken”, DE BRUNE, Bank. 2, 286 [1658])
Taalbode (”De Taal- en Letterbode”, Titel v. e. tijdschrift, 1870—1875)
Taalboek: waaruit leerlingen onderwijs in taal ontvangen (”Lees- en taalboek”, Titel v. e. werk v. J. H. V. D. BOSCH en J. L. C. A. MEIJER; ”Mijn eerste taalboekje” (en derg.), gewone titel)
Taalbond (”De Zuid-Afrikaansche Taalbond”, Naam eener in 1890 gestichte vereeniging)
Taalboom, 1°. voor stamboom van talen gebruikt door L. TEN KATE (Aenl. 1, 60); 2°. voor de taal als een boom voorgesteld, door DAUTZENBERG (Verspr. en Nag. Ged. 206)
Taalbouwer (”De volwrochte Spraekkunst van den Grooten Taelbouwer, A. Moonen”, POERAET, Spell. v. Moonen verd. 4)
Taalbroeder (”Bij het aanleggen van de eerste linie onzer spoorbanen, wist men te Brussel niet wel, waar men de statie — het station, zeggen onze Hollandsche taalbroeders, — zoude gemaakt hebben”, SLEECKX 8, 237 [1863]; zie ook VERMEYLEN, Opst. 1, 42)
Taalcategorie (”De groote taalkategorie der geslachten”, SCHRIJNEN, Handl. 139)
Taalcongres (”Het inrichten van een groot Vlaamsch feest en taalcongres te Gent, enz. enz. hebben mij gedurende drie, vier weken exclusief bezig gehouden”, WILLEMS, Br. 179 [1841]; ”Het eerste Nederlandsch Taal-Congres in 1849”, ROOSES, Schetsenb. 79)
Taalcursus: om een taal of talen te leeren (”Volledige Taalcursus”, Titel v. e. werk v. K. E. J. V. WIJNEN)
Taaldeel, bestanddeel van een taal, met name voorheen voor de woordsoorten gebezigd, welk gebruik echter ook wel afgekeurd werd (”Het gene in onze … Redenwisselingen, noopende 't Verhevene onzer Taeldeelen … is ingebracht”, L. TEN KATE, Aenl. 1, XIX; ”Voor de verschillende rededeelen bestaan er in de taal niet juist ook bepaalde soorten van woorden. — Dit schijnt dan ook de rede te wezen, waarom sommigen die verschillende soorten van woorden, als naamwoorden, werkwoorden, enz., in plaats van rededeelen, liever taaldeelen noemen. Maar, behalven dat partes orationis … niet door taaldeelen overgezet kan worden; zoo klinkt het toch ook heel vreemd, de verschillende soorten van woorden de deelen der taal te noemen”, ROORDA, Log. Anal. d. Taal² 3)
Taaleconomie (”Karakter en taal-ekonomie staan niet alleen bij het individu, maar ook bij de gemeenschap in nauwe onderlinge betrekking”, SCHRIJNEN, Handl. 136)
Taaleenheid (”Met de politieke eenheid der Nederlanden nu vormde zich ook de taaleenheid, maar eerst langzamerhand, zoodat er van eene algemeen Nederlandsche taal in de 12de eeuw nog in de verste verte geen sprake kon zijn”, TE WINKEL, Ontwikkelingsg.² 1, 108; ”Streven naar taaleenheid onder de beschaafden van Noorden Zuid-Nederland”)
Taaleigen, datgene wat aan een spreker, vooral een groep sprekers van een zeker land, een zekere streek, op het gebied van taal eigen is, het idioom (”Proeve van Bredaasch Taal-eigen”, Titel v. e. werk v. J. H. HOEUFFT; ”Zijn inzicht in het Latijnsche taaleigen”, FRUIN, Geschr. 9, 460 [1886]; ”De Kempische kleur overheerschte in haar taaleigen; doch het was met een Nederlandsch waas overtogen”, SEGERS, Kolen in de K. 150; ”Aan Doesburg en Groenloo … dankte hij (Kern) zijne intieme kennis van … het Saksisch taaleigen”, UHLENBECK, in Jaarb. Kon. Akad. 1917, 2, 18)
Taaleigenschap, hetzelfde (”Opdat 'er niet begaen en worden Ontaligheden (tael-woestheydt) of Ondege woordt-voegingen (wanspraecke) nae de tael-eygenschap van eenigerhand Sprake”, COMENIUS, Deure d. Taalen 224 [1666])
Taaleiland, vert. van hd. sprachinsel, taalgebied dat geïsoleerd te midden van ander taalgebied ligt (verg. DE BEER, in N. en Z. 13, 548)
Taalelement (”Dat de taalelementen ontwikkeld zijn zonder het doel der mededeeling in acht te nemen”, BOUMAN, in N. Taalg. 22, 33)
Taalevolutie (”Het is m. i. niet meer vol te houden, dat bij de taalevolutie de meerderheid ten slotte onherroepelijk den doorslag geeft”, KLOEKE, in Tijdschr. 43, 178)
Taalexamen
Taalexperiment (SCHRIJNEN, Handl. 144)
Taalfamilie (”Het Nederlandsch … maakt een klein onderdeel uit van de groote taalfamilie, … die men de Indoeuropeesche of gewoonlijk de Indogermaansehe noemt”, SIJMONS in VRRDAM, Gesch. d. Ned. T.³ 5; ”De afzonderlijke taalfamilies”, V. WIJK, in N. Taalg. 19, 101)
Taalfeil, fout tegen de taal (”Ik acht het belangrijk, om dat … wy ieder oogenblik of daar eene Taalfeil in begaan, of er onrechtmatig van verdacht worden”, BILD., Versch. 1, 59; ”In deze nieuwe gedichten van R. is niets te vinden dan opgeblazenheid, onzin, slechte smaak en taalfeilen in overhoop”, CONSC. 2, 413 b [ed. 1868])
Taalfeit
Taalfout, fout tegen de taal (”Zy zouden hierdoor (t.w. door zekere spraakkunst), zoo niet alle, ten minste hunne plompste taelfouten konnen verbeteren”, POERAET, Spell. v. Moonen verd. 4; ”Ik had het stuk met zijne stadhuiswoorden letterlijk overgeschreven en zelfs … de daarin voorkomende taalfouten overgenomen”, VEEGENS, Hist. Stud. 2, 251 [1884]; ”Een taalonderwijzer dient te weten wat nu eigenlik taalfouten zijn en wat niet”, KOLLEWIJN, Opst.² 88)
Taalgebied, 1°. gebied waar zekere taal wordt gesproken (”Het nasporen der grenzen van het tweeërlei taalgebied behoorde tot onze roeping. Ten platten lande is de afscheidingslijn scherp getrokken”, VEEGENS, Hist. Stud. 2, 258 [1884]; ”Willems (poogde) het Zuidelijk Nederlandsch taalgebied met het Noordelijk inniger te verbinden”, ROOSES, Schetsenb. 43); 2°. het terrein der taal, het geheel der onstoffelijke zaken die op de taal betrekking hebben (”De bijzondere oorzaken, die op ons taal- en lettergebied een toestand van onvrede scheppen”, DEN HERTOG, Onvrede 4); gebouw, de taal of een bepaalde taal als een gebouw voorgesteld (”Eenige weinige grondklanken, die het alleroudste fondament van het taalgebouw zouden zijn”, LULOFS, Gronden d. Ned. Woordafleidk. 23)
Taalgebrek, gebrek in een taal (”Hoe eer ik best voor Amstels lofaltaar Met lof en dank haar' eersten redenaar, Die vry van taalgebreken Haar 't schoonste Duitsch leert spreken?”, ANSLO, Poëzy 265; ”Zoo slaet een Jongeling de hant Aen tael- en letterschuimeryen, Daer eertyts mannen van verstant De taelgebreken lieten glyen”, vóór POERAET, Spell. v. Moonen verd. XIII)
Taalgebruik, 1°. het gebruik maken van een taal (”Het schuchter opzien tegen het alvermogend en alomgevierde Fransch, het aarzelen om onbeschroomd en onbevangen op te treden voor taalrecht en taalgebruik”, ROOSES, Schetsenb. 86, ”Dat in de schatting van Beets poëzie eigenlijk is gesublimeerd, of liever nog echt, vol, diep taalgebruik”, CH. DE LA SAUSSAYE, N. Beets² 186); 2°. een gebruikelijke manier of gewoonte die bij 't spreken van taal of van een bepaalde taal gevolgd wordt, en het geheel van die gewoonten tezamen (”Dat men de Taelwetten of Taelgebruiken moet vinden en niet maken”, L. TEN KATE, Aenl. 1, 13; ”Daarbij komt nog, dat de gemeene man, (volgens taalgebruik, dat men toch nog meer dan de logische definitie der woorden, althans in eene levende taal, in acht behoort te nemen,) den naam van dief verkrijgt, wanneer” enz., FOKKE, Verz. W. 10, 71; ”Van een redenaar, die wezenlijk spreekt, zal men nimmer hooren zeggen dat hij dezen of dien stijl heeft. Dit schijnt nog een overblijfsel der oude opvatting van het woord te zijn, en min of meer aan te duiden dat het voor de vuist gesprokene dikwerf zonder stijl is. Of dit taalgebruik met de waarheid overeenkomstig is, deze vraag zou een onderzoek op zich zelf vereischen”, GEEL 122 [1838]; ”Deze schriften maken dat onderscheid … omdat het taalgebruik het aldus meebrengt”, BEETS, St. Uren 1, 218 [1848]; ”Iemand ten ergernis zijn of ergernis geven, beteekent in de Heilige Schrift niet, zooals in ons hedendaagsch taalgebruik, iemands ontevredenheid of verontwaardiging opwekken, maar iemand verleiden”, 2, 90)
Taalgebruiker (”Nog nimmer heeft het eenigen taalgebruiker in Nederland aan vrijheid ontbroken”, DEN HERTOG, Onvrede 8)
Taalgehoor (”Gij vraagt mij naar de juiste uitspraak van sommige letteren en samenstellingen van letteren bij de Friezen, en daarin kan ik u licht voldoen, indien slechts uw taalgehoor en het mijne beide denzelfden trap van ontwikkeling hebben bereikt”, HALBERTSMA, in Taalg. 9, 1)
Taalgeknutsel (”De loop der aandoeningen laat zich door geen grammatisch taalgeknutsel stremmen”, GEEL 114 [1838])
Taalgeleerd, bnw., als zoodanig weinig gebruikelijk (”Huygens, de taalgeleerde Hagenaar”, POTGIETER 1, 31 [1841])
Taalgeleerdheid (”Dat men in 't behandelen der Taelgeleertheid de Wetten uit de Gebruiken moet vinden”, L. TEN KATE, Aenl. 1, IV)
Taalgeluid (”Geen soo bedeckten tael-geluydt Laet immermeer de keele uyt: … Die uw' gehoor voorby kan glippen”, CAMPHUYZEN, Ps. 139, 3 [c. 1626])
Taalgemeenschap, 1°. het gebruik van dezelfde taal door verschillende personen; 2°. de gezamenlijke personen die één zelfde taal spreken (”De taalgemeenschap met haar eenheidsgevoel, geboren uit de samenwerking van talrijke faktoren”, SCHRIJNEN, Handl. 136)
Taalgenoot, 1°. op de volgende plaats voor: verwante taal (”Onder al de nalatenschap van de verstorvene Taelgenooten, nogte ook onder de Levende ken ik dit Nis of Nisse niet voor een woord op zig zelven”, L. TEN KATE, Aenl. 2, 82); 2°. iemand die dezelfde taal spreekt als hij van wien in 't verband sprake is (”Dat vele Weermannen luidop verklaren, dat zij het bloed hunner taal- en stamgenooten, de Allemannen, niet ten voordeele van Christenen en Gallen willen helpen vergieten”, CONSC. 2, 108 b [ed. 1868]; ”De opbeuring van zijne taalgenooten tot krachtiger nationaal leven”, ROOSES, Schetsenb. 92)
Taalgeschiedenis (zie een voorbeeld bij Taalmonument)
Taalgezind, op de volgende plaats voor: belangstellende in taal (”Wie zoude niet aengemoedigt worden, die zoo veele Taelgezinden met onvermoeiden yver de handen ziet roeren, en het taelwerk bevorderen”, POERAET, Spell. v. Moonen verd. 75)
Taalgids (”De Taalgids”, Titel v. e. tijdschrift, 1859—1867; ”De Nieuwe Taalgids”, als voren, sinds 1907)
Taalgoed, vert. van hd. sprachgut; collectief voor: bestanddeelen eener taal (”Daar ook kelties taalgoed aanwezig is” (t.w. in de oudgentsche namen), SCHÖNFELD, in N. Taalg. 19, 103)
Taalgroei (”Dat zonder nieuwvormingen van geen taalgroei sprake kan zijn”, DEN HERTOG, Onvrede 8; ”Niet alleen het verstand, ook het gevoel is oorzaak van taalvorming en taalgroei”, SCHRIJNEN, Handl. 137)
Taalgroep, groep van menschen die een zelfde taal spreken (”Wij hebben … de locale en familiale taalgroepen doorloopen. … Wij komen nu … tot de taalgroepen, gevormd door de menschen van één stand of staat, één godsdienst of secte, één beroep of vak”, V. GINNEKEN, Handb. 2, 1)
talengroep
taalgrond, vanwaar: -grondbeoefening (”De in alles ingedrongen stijl van woorden in oneigen beteekenis te gebruiken, (heeft) … de taal van alle juistheid beroofd. … Dit heb ik vroeg beginnen te zien, en van daar is my die onvermoeide zucht tot de innige taalgrondbeoefening ingestort”, BILD., Br. 5, 31 [1823])
Taalheld, iemand die uitstekend de taal hanteert (”De Amsterdamsche afkapping van de N in de uitspraak, die te meer invloed kreeg om dat de meeste en beste Taalhelden diens tijds, deze stad tot hun woon- of geboorteplaats hadden”, BILD., Verh. Gesl. 6)
Taalhervormer (zie Dl. VI, 672, en nog: ”De groote woordkunstenaars (zijn) te allen tijde ook de taalhervormers bij uitnemendheid geweest”, DEN HERTOG, Onvrede 6)
Taalhervorming
Taalhistoricus (zie een voorbeeld N. Taalg. 18, 285)
Taalhistorie (”De taalhistorie en de taalphilosophie”, DEN HERTOG, Onvrede 5; ”Taalhistorie was lange tijd romantiek”, PH. J. SIMONS, in N. Taalg. 18, 285)
Taalindividualisme (”Het dwepen met taalindividualisme wordt eerst bedenkelijk, als er de practische gevolgtrekking aan wordt verbonden, dat het zoeken naar taalnormen overbodig en het eerbiedigen van die normen eene zwakheid zijn zou”, DEN HERTOG, Onvrede 6)
Taalinzicht (zie Dl. VI, 2219, en nog een voorbeeld bij Taalbegrip)
Taalkaart: waarop de grenzen van zekere taalverschijnselen zijn aangegeven (”De Noordnederlandsche Tongvallen. Atlas van taalkaarten met tekst”, Titel v. e. werk v. J. TE WINKEL)
Taalkarakter (”Inwerking van het psycho-fysische kultuurleven op de lichaamsgesteldheid, en aldus onrechtstreeks op hel taalkarakter”, SCHRIJNEN, Handl. 142)
Taalkenner, kenner van taal of van een zekere taal (”Zoo meene ik ook in staet te zyn, om al het andere van dien Taelkenner op eenige gronden te konnen verdedigen”, POERAET, Spell. v. Moonen verd. 5; ”Om Schepenen gelegenheid te bezorgen van door grondige en kundige inlandsche taal-kenners van verscheide zaaken, in geregtelyke onderzoeken voorkomende, geinformeerd te konnen worden …, de commandanten der respective campongs aan te beveelen bekwame personen aan te houden, die konnen dienen tot goede tolken in het berg Javaans, de Baliese en Maccassaarsche spraak”, N.-I. Plakaatb. 10, 458 [1780]; ”Onze groote Nederlandsche Taalkenner Lambert ten Kate”, LULOFS, Gronden d. Ned. Woordafleidk. 21; ”De arbeid, door onzen keurigen taalkenner (t.w. M. de Vries) ten behoeve van het Wetboek aangewend”, SMIDT, W. v. Strafr.² 1, XIII)
talenkenner, kenner van verschillende talen
taalkennis, kennis van taal of van een zekere taal (”Den klein-agter der Taelkennissen”, L. TEN KATE, Aenl. 1, 7; ”Onderwijzers in de grondregelen van alle talen, of algemeene taalkennis, onbedreven”, FOKKE, Verz. W. 10, 279; ”Twisten en geschillen, die langen tijd de kerk beroerd hebben, maar later tegen het licht der taalkennis, der oordeel- en uitleg-kunde niet bestand zijn geweest”, V.D. PALM, Sal. 8, 286 [1838]; ”Daar de meeste van hier uitgaande geëmploijeerden … doorgaans een tamelijk langen tijd op Java doorbrengen om zich met de Aziatische levenswijze bekend te maken, kan het ook als min noodzakelijk worden beschouwd dat hun reeds hier te lande gelegenheid worde verschaft om zich met de bedoelde taalkennis toe te rusten”, FALCK, Ambtsbr. 52; ”Het hapert onze Belgische schrijvers zeker nog al wat aan kiesche taalkennis”, WILLEMS, Br. 191 [1844]; ”Den toestand onzer Indische taalkennis”, P. J. VETH, in Gids 1864, 1, 159)
talenkennis, kennis van verschillende talen
taalklank (”Wij hebben in onze kindsche dagen … geleert alle onze Tael-klanken te vormen”, L. TEN KATE, Aenl. 1, 13; ”Hoe duidelijk geeft ons Shakspere's taal de aanschouwing van het beeld, waar van zijne ziel vervuld is? Hoe beändwoorden zijne taalklanken aan zijne ideën?”, V. HEMERT, Lekt. 10, 38 [1808]; ”Alle afgebeelde taal … geeft … slechts ten-naasten-bij den taalklank weer”, DEN HERTOG, Onvrede 14)
Taalknoeier (BILD., Verh. Gesl. 174)
Taalkracht (”Zoo lang wij nog haar' klank en volle taalkracht hooren; Zoo lang blinkt Holland aan der volkren Hemelboog!”, KINKER, Ged. 2, 15)
Taalkring, hetzelfde als Taalgroep (”Deze taalkringen zijn … opgebouwd uit leden van allerlei locale taalkringen”, V. GINNEKEN, Handb. 2, 1; ”De sociale taalkringen”, Ald.)
Taalkritiek (”Men (komt) er gemakkelijk toe de volkomen bruikbaarheid der taal als verkeersmiddel te betwijfelen. Deze … taalcritiek bestaat uit zeer talrijke, verspreid voorkomende opmerkingen bij sprekers en schrijvers van de meest uiteenloopende soort”, Hand. 9de Philol.-congres 35)
Taalkuischer, iemand die de taal wil verbeteren (”Verwarringen die onverstandige Taalkuischers naar hunne ingebeelde wijsheid invoerden”, BILD., Spraakl. 69)
Taalkunstenaar (DEN HERTOG, Onvrede 10)
Taalkwestie (”Die taalquæstie is niet slechts een quæstie van rechtvaardigheid, het is eene quæstie van eer, want die taal is het erfgoed onzer roemrijke vaderen”, J. V. RIJSWIJCK Jr. 2, 2; ”De Transvaalsche quaestie is geen taalquaestie”, DEN HERTOG, Onvrede 17)
Taalleer (”Regelen …, die in een Latijnschen of op de Latijnsche leest geschoeiden Taalleer vereischt zijn”, BILD., Spraakl. XV)
Taalleeraar (”Met den geest van een dorren Taalleeraar”, BILD., Verh. Gesl. 5; ”Het rechtmatig verzet der Duitsche taalleeraren”, M. DE VRIES, Inl. Wdb. LIII; ”Gij blijft als taalleeraar spreken, terwijl gij als uitlegger moest optreden”, OPZOOMER, Naar aanl. v. e. testament 23)
Taalles, o. a., in meervoudsvorm, als titel van schoolboeken en derg. (”Waarlijk onze Moonens c. s. haalden hunne taallessen niet uit het Grieksch”, BILD., N. Versch., 3, 141
Taalleven (”Doordien Paul … zowel met de psychologiese als met de physiese faktoren van taalleven rekening hield”, TALEN, in Taal en Letteren 8, 522 a; ”Het rhythmische taalleven”, SCHRIJNEN, Handl. 136; ”(Kern) wist te goed, hoe talloos de factoren zijn, die de ontwikkeling der taal bepalen, om het geheele taalleven in klankwetten en analogie op te lossen”, BOER, in Eigen Haard 1917, 490 a)
Taalliefde (”Indien … die Liefhebbers het tegenschryven (dat ik van hunne taelliefde verwachte) ten beste opneemen”, POERAET, Spell. v. Moonen verd. 75)
Taalliefhebber (VERRIEST, Vl. K. 1, 33)
Taalliefhebberij (”Ik zelf, Mijnheer! (zooverre gaat mijne taalliefhebberij) ben bereid f. 200 te betalen voor elk Nederduitsch gedicht van 17,000 regels op perkament, waarvan” enz., WILLEMS, Br. 38 [1825])
Taallievend (”Den taellievenden ten dienste … uitgegeeven”, MOONEN, Nederd. Spraekk. IV; ”Dichten Tael-lievende uitgaven, door een genootschap” enz., Titel, a°. 1774; ”Nu de budget aangenomen … is, wordt het tijd, dat het plan onzer taallievende vereeniging onder het oog van den Minister kome”, WILLEMS, Br. 139 [1836]; zie ook L. TEN KATE, Aenl. 1, X)
Taallogica (BILD.-TYD., Briefw. 1, 12)
Taallogicisme (”Het taallogicisme van een vorig geslacht, dat … niet van vormverschil uitging”, PH. J. SIMONS, in N. Taalg. 18, 288)
Taalmacht, invloed, door iemands spreken geoefend (”Zyn' taalmaght en reedenen dreeven deur, dat … het vonnis gevelt werd”, HOOFT, N.H. 380 [1642])
Taalmagazijn (”Nieuw Nederlandsch Taalmagazijn”, Titel v. e. tijdschrift, 1853—'57)
Taalmagie (”Van taal-magie tot taal-skepsis”, Titel v. e. rede v. A. VERSCHUUR, zie Hand. 9de Philol.-congres 35; ”(De taaluitingen) worden … dan gebruikt om een invloed uit te oefenen, die door natuurlijke en bekende middelen niet kan verkregen worden. Dit is de taalmagie, die toegepast werd en wordt bij besprekingen en bezweringen tegen booze geesten, vijanden, ziekten”, t. a. p.)
Taalmaker (”Je kunt geen woorden maken … De gewoonte en 't gebruik zyn de wettige Taalmakers, en niet ieder naar zyn zinlykheid, al was hy noch zo geleerd en geestryk”, V. EFFEN, Spect. 1, 126 [1731])
Taalmateriaal, vert. v. hd. sprachlicher material (”Het ongevormde taalmateriaal”, BOUMAN, in N. Taalg. 22, 27)
Taalmeester (”Wilt gij liever Taalmeester worden? dit is een zeer fatsoenlijk, zeer nuttig, en voordeelig beroep; en gij kent nu reeds verscheiden taalen”, WOLFF en DEKEN, Wildsch. 1, 165 [1793]; ”Zoodanige Onder wijzers van beiderlei kunne, als onder den titel van Onderwijzer aan de huizen, Taalmeester, Opzegger of eenigen anderen, … in eenig gedeelte van het Lager Onderwijs … onderrigt geven”, Wet v. 3 April 1806, Bijl. A., a. 4; ”Taalmeesters, die carrière maken, levert ons land vooralsnog niet lomp veel op. — Wel! … een taalmeester is toch een man van de wetenschap: — en ik zie … hooger op tegen iemand, die kennis bezit en in staat is wat hij weet aan anderen mede te deelen, dan tegen zoovelen van mijn familie …, die om postjes solliciteeren: een taalmeester is een onafhankelijk man”, V. LENNEP, K. Zev. 4, 309 [1865]); vandaar de volgende smadelijke samenstelling (”Hoe gebruiken die eenvoudige lieden die tweederlei uitdrukking? … en hoe deden 't de schrijvers, die hun moedertaal en geen taal van een willekeurig opgeworpen Taalmeesterenverdrag schreven?”, BILD., Versch. 1, 66)
Taalmelodie, in taalkundige geschriften van de 20ste eeuw veelal als vert. van hd. sprachmelodie (”Vele menschen hebben geen gehoor voor muziek, toonkunst: even zooveel, meer welligt, schijnen geen gevoel te hebben voor taalmelodie: die afwisseling van klanken, vooral op 't einde van zinnen en onderdeelen, waardoor 't eentoonige wordt vermeden, en 't gehoor d' indruk wordt gespaard, alsof, 't geen gelezen wordt, mislukte rijm ware”, H. J. NASSAU, in Mag. v. Ned. Taalk. 4, 22; ”Rhythme en taalmelodie zijn geen individuëele gevoelsuitingen, maar vormen … den kardinalen faktor, waardoor de geheele volkspsyche … inwerkt op de verandering der taal”, SCHRIJNEN, Handl. 140); vandaar: Taalmelodisch (SCHRIJNEN, a. w. 142)
Taalmild, mild met taal, met woorden (”De heuscheeden en taalmilde getuighenissen van opdraght der harten”, HOOFT, N.H. 797 [1642])
Taalmin (V. ACKERE, Winterbl. 265)
Taalminnaar (”Moonens Spraekkunst, Krachtelyk verdedigt door den Taelminnaer, P. H. P.”, vóór POERAET, Spell. v. Moonen verd. XIII; ”Dit doet my hoopen, dat het geenen Taelminneren, noch den binnen gemelden Lettermannen … onaengenaem … zyn zal”, a. w. 75; zie ook een voorbeeld DEN HERTOG, Onvrede 12)
Taalminnend (”De taalminnende jeugd van Vlanderen”, Biekorf 4, 49)
Taalmoeder, taal waaruit andere talen zijn voortgekomen (”So dat wy ons eygen moeders-tael, die doch na 't seggen van Becanes (sic) een tael-moeder is, selfs haar eyghentschap niet en wisten, noch haar Rijckdom niet en kende”, BREDERO 3, 147 [161.])
Taalmonument, vert. van hd. sprachdenkmal, een overblijfsel eener oude taal (”Zoo ook besluit men uit de oudste taalmonumenten, die de taalgeschiedenis openen, tot eenen toestand der taal in den voorhistorischen tijd”, TE WINKEL, in N. en Z. 16, 506)
Taalmuseum (Dl. IX, 1267)
Taalmuziek (”Die fulpen poëzij …; Die woorden kiest, welluidend, vol, en malsch … Als 't bladfluweel van der violen bloesems …; Een taalmuziek, die slechts voor maagdenlippen Geschapen schijnt”, BEETS 2, 22 [1834]; ”Het zenuwachtig gevoelswoord, dat voor waardeering verwarrende ontroering …, en voor zekermakend inzicht vage taalmuziek gaf”, HASPELS, Brandaris 158)
Taalneef, op de volgende plaats voor iemand wiens taal verwant is met die van een ander (”Bij onze taalneven, de Engelschen, heeft het adjectief … nog veel strakker vormen”, LULOFS, Ned. Spraakk.² 142)
Taalnorm (zie een voorbeeld bij Taalindividualisme)
Taaloefening, de handeling van zich in 't spreken of schrijven van taal te oefenen, en: datgene wat men bij het genoemde oefenen tot stand brengt of een opgave waardoor men zich oefent (”Waerom ik ook al in 't begin van deze Tael-oeffening kortelijk mijne Aenmerkingen daer nevens of 'er onder gevoegt heb gehad”, L. TEN KATE, Aenl. 1, x; ”Dat beide zinnen treurig fabriekswerk zijn zal ieder voelen, maar wat nood! Het is immers taal-oefening”, N. Taalg. 11, 252; ”Taaloefeningen voor de Lagere School”, ”— de lagere klassen der H. B. Scholen” enz., gewone titels)
Taalonderscheid (YPEIJ, Gesch. d. Ned. Tale 1, 41)
Taalonderwijs (”Een verbeterd taal-onderwijs, door hulp van een nieuw samenstel van leerboeken, uit het Deventer Fraterhuis voortgekomen”, HOFDIJK, Voorgesl. 5, 52; ”Over het oude en het nieuwe taalonderwijs”, Titel v. e. art. v. J. H. V. D. BOSCH, in Taal en Letteren 5, 187 volgg.)
Taalonderwijzer (”Nederlandsche Spraakkunst. Handleiding ten dienste van aanstaande (taal)onderwijzers door C. H. den Hertog”, Titel; zie ook een voorbeeld bij Taalfout)
Taalonderzoek (”Het … verschijnsel der analogie … wier waarde … met name het psychologisch taalonderzoek in het juiste licht geplaatst heeft”, SCHRIJNEN, Handl. 145)
Taalonderzoeker (”Dat mij … die volle mate van bekendheid met onze vroegere taalonderzoekers … ontbrak”, BRILL, Holl. Spraakl. VII; zie ook een voorbeeld SCHRIJNEN, Handl. 140)
Taalontleder (”Yder is sijn eygen Tael-ontleder”, V.D. VENNE, Taf. v.d. B.W. 263 [1635])
Taalontwikkeling (”Taal en taalontwikkeling zijn ten deele gewild en bewust, ten deele spontaan en onbewust”, SCHRIJNEN, Handl. 137)
Taalopbouwer (”Iedere taal heeft hare eigenschappen, buiten welke geen taalopbouwer behoort te gaan”, V. LELYVELD, in HUYDEC., Pr. 1, 240)
Taalopgave (”Schriftelijke taalopgaven van de examens voor de akte van hoofdonderwijzer in 1890”, N. en Z. 13, 282)
Taalopvatting
Taaloudheid, overblijfsel van vroeger taalgebruik (”Een Museum van Taaloudheden”, Titel v. e. rede v. J. VERDAM)
Taaloverblijfsel
Taalparticularisme, het streven om de taal van zekere streek daar als beschaafde spreektaal en als schrijftaal te (doen) gebruiken, in plaats van een algemeene beschaafde taal (”Het eigenaardig taalparticularisme, dat sommigen voorstaan, en dat treurig berucht is geworden door het Congres van 1884 te Brugge”, GITTÉE, in Taal en Letteren 4, 282)
Taalparticularist, voorstander van dat streven (”Aan een anderen kant der vesting wordt stormgeloopen door de rustelooze strijders voor gewestelijke taal, de Westvlaamsche zoogenaamde ”taalparticularisten”)”, J. W. MULLER, in Taal en Letteren 1, 197)
taalpatriotisme, talenpatriotisme (”Men dacht er te Groeningen bizonder weinig aan, den ”stam” en zijn taal te verdedigen, eenvoudig, omdat er in dien tijd geen talenpatriotisme noch ”nationaal” gevoel te bespeuren valt”, VERMEYLEN, Opst. 1, 205)
taalperiode (SCHRIJNEN, Handl. 144)
Taalphilosoof (”Dan is ook hier W. von Humboldt de eerste moderne taalfilosoof”, BOUMAN, in N. Taalg. 22, 26)
Taalphilosophie
taalpolitie, titel van een reeks arttikelen van C. BAKE in N. en Z.
taalprincipe, vert. van hd. sprachprinzipium (”Een … uiteenzetting van de ‘taalprinsiepes’)”, TALEN, in Taal en Letteren 8, 523)
taalproeve (”Deze twee laetste Frank-Duitse Taelproefjes komen zo digt aen onze Belgische of Nederduitsche Sprake, dat men wel gissen mag, dat de Schrijvers niet verre van den Beneden-Rijn gewoont hebben”, L. TEN KATE, Aenl. 1, 57)
taalpsychologie, dat gedeelte der psychologie dat zich met de taal bezighoudt (”Eindelijk ook … mag de beoefenaar der letterkunde de taalpsychologie niet verwaarloozen. De taal is niet alleen iets wat wij hooren, of in schriftvorm als iets gewordens vastgelegd zien, het is ook iets wat telkens weer geboren wordt en groeit in den geest van den mensch, wanneer hij spreekt of schrijft”, TE WINKEL, Ontwikkelingsg.² 1, 91; ”De beoefenaars der experimenteele taalpsychologie”, SCHRIJNEN, Handl. 142)
taalpsycholoog (b.v. aangeh. in N. Taalg. 11, 256)
taalrecht (”Het miskennen der taalrechten van een deel des lands”, ROOSES, Schetsenb. 31; ”Men (verdedigt) alle staatsinstellingen, die de ontwikkeling van het volk belemmeren, als in die instellingen het Vlaamsche taalrecht maar geëerbiedigd wordt”, VERMEYLEN, Opst. 1, 65; zie ook een voorbeeld bij taalgebruik)
taalrechter (WEIL.)
taalregel (”Welgestelde taalregels door de beste Schryvers gestaafd, kunnen door 't gebruik van spreeken niet worden verzwakt”, HUYDEC., Pr. 4, 171 b; ”Dat haar hoofd … maar niet wou vasthouden: taalregels, en uitzonderingen, onregelmatigheden en zoo”, ROBBERS, Gel. Fam. 221 [1909])
taalrest
taalrhythme (”Juist het immanente taalrhythme (wordt) door K. Marbe op den voorgrond geplaatst”, SCHRIJNEN, Handl. 143)
taalrijk, alleen bij dichters, 1°. een grooten woordenschat bezittende (”Geen letterkunstenaer, hoe taelrijck, hoe beslepen, Vint merck of woort, dat Godts volkomenheit verbeelt”, VONDEL 9, 397 [1662]); 2°. welbespraakt (”De stadt (Tours) leght tusschen beide In weelige landouwe, en aengename weide. Haer burgery is trots, en taelrijck”, VONDEL 9, 632 [1662]; ”O die van dit History-werk Uw' oordeel eens had mogen hooren, 't Had meer gegolden in myn' ooren Als dat van menig taelryk Klerk”, DE DECKER 2, 289 [1664]); 3°. vele talen kennende (DE BRUNE, Bank. 2, 285 [1658])
taalschat, de gezamenlijke uitdrukkingsmiddelen eener taal (”Dat Hooft een oneindig grooter aantal woorden en zegswijzen schiep, die ongevoelig in onzen taalschat zijn opgenomen”, VEEGENS, Hist. Stud. 1, 30 [1843]; ”Eene volledige verzameling van den rijken taalschat der middeleeuwen, uit alle bekende gedenkstukken zorgvuldig bijeengebragt”, DE VRIES, Taalzuiv. VI)
taalschennis (”De zucht naar taalkennis, — en de haat veur taalschennis, — dreef mij steeds naar verstandigen”, V. DROOGENBROECK, Mak. 3)
taalscheppend (”De analogie als taalscheppende macht”, Titel v. e. art. v. A. KLUYVER in N. Taalg. 1, 145 volgg.; ”Het taalscheppend vermogen van een woordkunstenaar”)
taalschepping (”De weelderige taalschepping van Vondel”, DEN HERTOG, Onvrede 12; ”Uit te maken, in hoever de kunstenaar ook woordschepper was of zich bediende van de meest conventioneele taal, en welk een indruk die taalscheppingen op de tijdgenooten hebben moeten maken”, TE WINKEL, Ontwikkelingsg.² 1, 90)
Taalschik (”De vergaedring hield zoo wel geen streek, dat ik yder beletten kon 't gedicht eens nae zich te neemen, om het in 't bezonder voorts te leezen. Mostaert en Vondel hebben yets aengeteekent dat den taelschik betreft; op dat U Ed. Gestr. overweghe, oft zy zich dien aengaende met ons vergelijken konde”, HOOFT, Br. 3, 278 [1639])
taalschikker (”De oorzaek, die dien Taelschikker (t.w. Moonen) bewoogen heeft, om dus te spellen, is” enz., POERAET, Spell. v. Moonen verd. 23)
taalschikking (”Men stelde verscheide regels, daar men zich in 't dichten naar hadde te schikken: ontrent het stuk der taalschikkinge, de t' saamenvoeging der woorden en naamen” enz., BRANDT, Lev. v. Vondel 16)
taalschrift, cahier waarin een leerling taaloefeningen en derg. maakt
taalschuimer, iemand die de taal wil verbeteren (”Het zou wel wonder geweest zijn, zoo de zoogenaamde Taalschuimers, (altijd en overal, als de Latijnen zeggen, bipedum stupidissimi,) het ingedrongen lelijke en piepende niet niet voor het oorspronklijk … ontkenteniswoord verkoren hadden”, BILD., Versch. 3, 10)
taalschuiming (”Eer de Taalschuiming recht ingang vond, en de Latinisten den ijzeren staf begonnen te zwaaien”, BILD., Versch. 3, 33)
Taalslibbering (”Om dat gy de woorden en namen, door tijden en gevallen weet te buygen; de barbarische woorden, en taalslibberingen, te vermijden”, OUDAAN, Arnobius 77)
taalsmederij (”Waarlijk onze Moonens c. s. haalden hunne taallessen niet uit het Grieksch …, ja, het ware beter geweest, hadden zy in hunne taalsmederyen daar het oog wat meer op gehouden”, BILD., N. Versch. 3, 141)
taalsnuffelaar (”Dat een eerlyk man in veele gezelschappen geen tien woorden kan voortbrengen, zonder zig in zyn reede afgebroken en berispt te zien door den een of den anderen taalsnuffelaar, en te hooren, dat hy zig kwalyk uitdrukt”, V. EFFEN, Spect. 11, 198 [1734])
taalsoort
taalsprake, iemand die voor een ander in rechte spreekt, advokaat of procureur; verg. Taalman (KIL.: ”Causidicus”)
taalspreken, zie boven de bet. 7) (Tael-spreken. Causam alterius agere siue defendere, patrocinari dictis”, KIL.)
taalspreker, hetzelfde als sprake (”Luereers, suereers, lieghers, bedrieghers, tantreckers …, Aptekers, taelsprekers, rechtbrekers, penleckers enz. …: Hier machmen Luthers discipulen aen mercken”, in Leuv. Bijdr. 4, 212; ”Daernae spreckt de Taelspreker oft Advocaet” enz., Cost. v. Antw. 2, 136 [1582])
taalstam, het geheel van zekere talen die met elkaar nauwer verwant zijn dan met andere, vergeleken bij een boom waarvan de afzonderlijke talen de ”takken” zijn (”Takken van den Duitschen en Noordschen taelstam”, L. TEN KATE, Aenl. 2, 25; ”Van den eersten dag, dat er spraak was van een vereenigd Nederland, en er dus een star van hoop voor onzen taalstam aan den hemel rees”, ROOSES, Schetsenb. 91; ”De acht genoemde taalstammen kan men als de historisch ontwikkelde tongvallen der Indogermaansche grondtaal beschouwen”, SIJMONS, in VERDAM, Gesch. d. Ned. T.³ 6)
taalstatistiek
taalstelsel (”Gij weet toch ook wel, dat ik het met mijne Bataafsche broeders wel meene; zonder dat zou ik mij zooveel moeite niet geven om onze twee talen (of liever taalstelsels) te hereenigen”, WILLEMS, Br. 168 [1839])
taalstof (”Ons onderzoek dezer Taelstoffe”, L. TEN KATE, Aenl. 1, x)
taalstrijd, strijd tot handhaving en zoo mogelijk uitbreiding eener taal (”Den taalstrijd hier en elders”, J. V. RIJSWIJCK Jr. 2, 174; ”Bibliographie van den Vlaamschen Taalstrijd”, Titel v. e. werk v. TH. COOPMAN en J. BROECKAERT; ”De ”Taalstrijd” —, de titel alleen bewijst de beperking waar ik tegen inga — weet en herhaalt met elkeen dat het doel der Vlaamsche Beweging de algeheele opbeuring van ons volk is … — doch hij tracht te rechtvaardigen wat hij overal rond zich bemerkt heeft: dat werkelijk, bijna heel de strijd opgaat in taalstrijd”, VERMEYLEN, Opst. 1, 59 volg.)
taalstrijder (”Men is eerst en vooral ”taalstrijder”)”, VERMEYLEN, Opst., 1, 67), taalstronk (”Zijnde dit het oudste overblijfsel dat 'er van den Theutonischen tael-stronk bekent is”, L. TEN KATE, Aenl. 1, 56; ”De reets verstorvene of nog in leven zijnde Duitsche Taelstronken”, 2, 14)
taaltak, taal of groep van talen die met elkaar nauwer dan met andere verwant zijn, beschouwd als onderdeelen van een grooter geheel, en dus als takken van een stam (”Onze Duitsche en Noordsche Taeltakken”, L. TEN KATE, Aenl. 2, 26; ”Dat aan de twee gemelde hoofdklassen van volken … een groot gedeelte van Europa zijne bevolking, met derzelver twee voorname taaltakken, verschuldigd is”, YPEIJ, Gesch. d. Ned. Tale 1, 42; ”Te Brussel, waar de beide taaltakken elkander ontmoeten, is in de bovenstad alles Waalsch of neemt men ten minste het masker daarvan aan …; in de benedenstad alles Vlaamsch”, VEEGENS, Hist. Stud. 2, 258 [1884])
taaltechniek (”Hoe meer zorg men besteedt aan de taaltechniek, hoe meer men afzonderlik spraakkunstonderwijs geeft”, KOOPMANS, in N. Taalg. 4, 244)
taalteeken, 1°. teeken om taal schriftelijk aan te duiden (”Wel leer ik begrijpen, hoe onderling onmeetbaar taal en taalteeken zijn, maar ik vervolg den gang der menschelijke gedachte in het streven om bij toenadering een middenevenredige te vinden”, BEETS, Sparsa 39); 2°. voor: accentteeken (Friesch Placaatb. 2, VII)
taaluiting (”Worden de taaluitingen niet uitsluitend als wetenschappelijke werktuigen gebezigd, dan” enz., Hand. 9de Philol.-congres 36)
taaluur, lesuur, aan taal gewijd (”In het volgende taaluur … datgene schriftelijk weer te geven, waartoe het bezoek aan den schooltuin aanleiding gaf”, K. DE VRIES, aangeh. in Taal en Letteren 8, 299)
Taalvaardig, vaardig met de taal (”Tael-vaerdigh. Facundus, disertus, eloquens, lingua promptus”, KIL.)
taalverandering, 1°. verandering in taal in 't algemeen of in een bepaalde taal (”Voorts kan ik niet vermerken, dat in deze vier Eeuwen iet anders gewigtigs ten opzigte van de Taelverandering gebeurt is, ten zij men rekenen wil, het gene de Romeinsche tael op de Gallische en Brittonsche won”, L. TEN KATE, Aenl. 1, 33; ”Hoe taalverwording nog iets anders is dan opzettelijke taalverandering”, DEN HERTOG, Onvrede 10); 2°. verandering van de wijze van zich uit te drukken (”De Inleiding, Samenhang, Voorstelling en de andere deelen eener Predikaetsië eveneens op te heffen; van Overgangen noch taelveranderingen te weeten, en alles, als een lesje, af te laeten rollen … past beter kinderen, dan Lettermannen”, POERAET, Spell. v. Moonen verd. 65)
taalverbastering (”De onrustbarende taalverbastering, die we in de laatste veertig jaar met toenemende woede hebben zien heerschen”, DE BEER, in N. en Z. 20, 147)
taalverbeteraar (”Totdat eindelijk de taalverbeteraars, Hooft, Vondel, en lateren, al die vreemde woordenkraam, zoo veel mogelijk, opruimden”, FOKKE, Verz. W. 10, 278)
taalverbetering (zie een voorbeeld FOKKE, Verz. W. 10, 58)
Taalverbond, in verschillende toepassingen: zie de aanhalingen (”Het Nederduitsch Taelverbond”, bij ROOSES, Schetsenb. 79; ”De voorgenomen algemeene vergadering van het Taalverbond te Antwerpen is in den steek gebleven”, WILLEMS, Br. 198 [1845]; ”Ontwerp voor de oprichting eener algemeene maetschappy van nederduitsche tael- en letterkunde in België, onder den titel van Vlaemsch Taelverbond”, Titel (a°. 1844) bij COOPMAN en BROECKAERT, Bibliogr. Vl. Taalstrijd 1, 303; ”Het Taelverbond. Tydschrift voor geschiedenis, tael-, oudheid- en letterkunde”, Titel, a°. 1845 volgg.; ”Om de losgereten vlechten Onverbreekbaar saâm te hechten, In 't ons heilig taalverbond!”, TER HAAR, L. Ged. 174)
taalverdediging (”Van mijne Verhandeling zal UEd. alles behalve voldaan zijn. Zij is zoo maar slordig weg geschreven. … Maar mocht ik achterblijven met mijne taalverdediging?”, WILLEMS, Br. 3 [1819])
taalveredeling (NASSAU, Mag. v. Ned. Taalk. 1, 254)
taalvereenvoudiging (”Hoe wenschelijk men het moge achten, die kunst (t.w. die van spreken en schrijven) algemeen te maken, wie zal willen verdedigen, dat dit doel door eene kunstmatige taalvereenvoudiging zou mogen en kunnen bereikt worden?”, DEN HERTOG, Onvrede 16; ”De Z. A. Taalbond en De Taalvereenvoudiging”, Titel, a°. 1904)
taalvereering (V. ACKERE, Winterbl. 184)
taalvergelijking, vergelijking van verschillende talen, met name van verwante talen hoofdzakelijk met 't doel om de overeenkomsten daarin op te sporen en daaruit tot een gemeenschappelijken grondvorm te besluiten
taalvermenging, in taalkundige geschriften sedert het midden der 19de eeuw dikwijls als vert. van hd. sprachmischung, vermenging der bestanddeelen en eigenaardigheden van verschillende talen (”Opzettelijke taalvermenging blijkt uit Maerlant's verklaring …: ”men moet om de rime soeken misselike tonghe in boeken: Duuts, Brabants, Vlaemsch, Zeeus” en zelfs ”Walsch, Latijn, Griex ende Hebreews”)”, TE WINKEL Ontwikkelingsg.² 1, 108)
taalverminking (zie een voorbeeld bij taalbederf)
taalverrijking (”Vlugtige woorden over Nederlandsche Taalzuivering en Taalverrijking”, Titel v. e. werk v. B. H. LULOFS)
taalverschijnsel (”De zelfstandige beschouwingswijze der taalverschijnselen, die hem (Kern) onder de Indogermanisten van zijn tijd een eigenaardige plaats verzekert”, UHLENBECK, in Jaarb. Kon. Akad. 1917, 2, 37)
taalverschil (”Zeg bij gelegenheid eens aan den heer V. K., dat hij wat te verre gegaan is in zijn artikel over de taalverschillen”, WILLEMS, Br. 177 [1841])
taalverspreiding (”De Volk- en Tael-verspreiding over Europa”, L. TEN KATE, Aenl. 1, IV)
taalvervalsching (”Taalvervalsching en Spelling”, BEETS, Sparsa 29; Titel)
taalverwant (”We (hebben) ons van de Verouderde, en Hedendaegsche voornaemste Taelverwanten bedient, om onze eigene Spraekkunde Licht en Vastigheid by te zetten”, L. TEN KATE, Aenl. 1, XII; ”Woorden onzer voornaemste Taelverwanten …, namelijk M-Gottische, Frank-THeutsche, Angel-Saxische, Hoog-Duitsche, Yslandsche, enz:”, 1, xv)
taalverwantschap
taalvijand (”Dat de regeering van Brussel en die van Antwerpen zich voor de spelling van Des Roches verklaren, moet aan het intrigueeren van onze taalvijanden toegeschreven worden”, WILLEMS, Br. 172 [1840])
taalvitten (”Dat zy (Tacitus, Plinius, Caesar e. a.) dikwerf zoo sterk overhellen tot het Taalvitten, dat ze daar door niet zelden meer verwarring, dan ontdekking der waarheid, veroorzaaken”, BERKHEY, N.H. 3, 404 [1773])
taalvitter (”Latende zich zeer weinig daar aan gelegen zyn, wat ook andere neuswyzen, en Taal-vitters, van zyn gemengeld Maleitsch … zouden mogen zeggen”, VALENTIJN, O.-I. III, 1, 37 a [1726]; zie ook BERKHEY, Dichtm. Redenv. 80)
taalvitterij (”Ter voorkominge van een onderwerp van taalvittery voor de Nakomelingen”, BERKHEY, N.H. 3, 991 [1773])
Taalvloed, door HOOFT gevormd voor: vloeiend spreken (”Hy (heeft) hen, die toeliepen …, aangesprooken: zynde sierlyk genoegh in Griekschen taalvloedt”, Tac. 379; lat.: satis decorus … Graeca facundia)
taalvloeiend, wellicht in navolging van het vorige woord gevormd, vloeiend sprekende, en: in overeenstemming met een vloeiende spraak (”Wien een reden houdende de redeninge fraeytjens en rijcklijck afgaet …, die wordt Spraeckrijck … genoemt, die de uytspreeckbare dingen in een redeneeringe lieflick (genoeghlijck) en met een lichtigheydt uytspreeckt, Tael-vloeyend (lieftaeligh) … geacht” (lat. facundus), COMENIUS, Deure d. Taalen 232 [1666]; ”Ik verwondere my …, waerom men Hem onder andere de Ae zoo zeer beknibbele, die (door) my voor zulk eene kittelige en taelvloeyende zoetheit gehouden wordt, dat” enz., POERAET, Spell. v. Moonen verd. 5)
taalvoerder, 1°. spreker (”Die gave is al te overheerlijk, dan dat de beste Taelvoerder hare regte verdienste in hare nette mate zal kunnen afschilderen”, L. TEN KATE, Aenl. 1, 7); 2°. iemand die voor een ander spreekt, tolk of advokaat (”Tael voerder. Interpres: & Causidicus”, KIL.)
taalvoering, het spreken (”Zou men de Taelvoering of 't Vermogen van die niet onwaerdeerlijk agten en noemen?”, L. TEN KATE, Aenl. 1, 9)
taalvorm, 1°. in de taalkunde een benaming voor de bestanddeelen van een bepaalde taal, de woordvormen en wijzen van uitdrukking die tezamen die taal vormen (”Studie van spelling en taalvormen”, BEETS, Sparsa 42; ”Naarmate de cultuurstand van een volk rijst, en die rijzing zich in volmaking zijner taalvormen openbaart”, DEN HERTOG, Onvrede 18; ”Het zoogenaamd doode en conventioneele der Romaansche taalvormen”, KLUYVER, in N. Taalg. 3, 114; ”Een reeks van opstellen, waarin hij grootendeels Nederlandsche woorden en taalvormen had behandeld”, UHLENBECK, in Jaarb. Kon. Akad. 1917, 2, 25; ”Een goedbedoelde of hypercorrecte taalvorm”, KLOEKE, in Tijdschr. 43, 161); 2°. wijze van zich in taal uit te drukken (”Daar hij op eens, zonder overgang, uit den lossen zeemanstoon moest vervallen in de meer fijne taalvormen, waarin hij wel voelde, dat hij de beschaafde burgerdochter zou moeten aanspreken”, MULDER, J.F. 1, 51 [1857]; ”Het waren de dingen der natuur zelf … of het waren een Dionysisch levensdronkene, een faun, een satyr, die hier (in Gorter's ”Verzen”) in zeer weinig conventioneele taalvormen hun leed en vreugd … uitstamelden”, F. COENEN, in Gr. Nederl. 1927, 2, 417); 3°. in de verbinding inwendige taalvorm, waartegenover soms uitwendige taalvorm wordt gesteld, als vert. van hd. innere (en äussere) sprachform, een door W. VON HUMBOLDT ingevoerde term voor een algemeene wijze van gedachtenformuleering, een begrip dat later herhaaldelijk gewijzigd is (zie b.v. BOUMAN, in N. Taalg. 22, 24 volgg.)
taalvormend (”De analogie is de groote taalvormende faktor”, SCHRIJNEN, Handl. 145)
taalvorming (zie een voorbeeld bij Taalgroei)
taalvraag (”Eén der gewichtigste vereischten is zeker de ontwikkeling (van het vlaamsche volk) door zijn eigen taal, beeld van zijn eigen aard. Vandaar het groot gewicht der taalvraag”, VERMEYLEN, Opst. 1, 57)
Taalvraagstuk (DEN HERTOG, Onvrede 18)
taalvrouw, vrouwelijke advokaat (”Wel aen schoon uyt-ghelesen, Om by den Heer ons tael-Vrouwe te wesen: Ghehinght ons u bermhertigh oogen … te tooghen”, DE HARDUYN, Godd. Lofz. 45; Ouer-settinghe van Salue Regina)
taalwaarnemer (”De taalwaarnemer mag ook architekt zijn”, PH. J. SIMONS, in N. Taalg. 18, 282)
taalwaarneming
taalwarrel (”Een drukke taalwarrel ging om: de tantes spraken Duitsch en schreeuwden, om zich te doen verstaan, iets over de kalmte van de zee aan de arme ooren der … gravin”, COUPERUS, Maj. 2, 21)
taalwereld (”Onvrede in Taal- en Letterwereld”, Titel v. e. voordracht v. C. H. DEN HERTOG in Hand. Mij d. Ned. Lett. 1896—'97)
taalwerk, 1°. gebruik van taal, en: taalbeoefening (”Te willen dat het Latijnsche Re, bij omkeering in er, en bij voorwerping van een H, in Her verwisselt zij geweest, is onderstellen, 't gene niet alleen gants onzeker is, maer ook oneigen aen ons Taelwerk”, L. TEN KATE, Aenl. 2, 58; zie ook een voorbeeld bij taalgezind); 2°. het schriftelijk werk dat een leerling of een examinandus maakt op het gebied van taal (”Taalwerk zonder Buigingsoefeningen, voor de hoogste klasse der Volksschool … door B. J. Douwes”, Titel)
taalwet; 1°. regel die in een taal geldt (”Het vergelijken van de Staet- en Tael-wetten heeft mij … aengewezen, datze, alhoewel het gezach van de Rede in elks grondlegging moet erkent worden, egter als een Gemeente-Regt zijn geworden, wanneer de Gewoonte en 't agtbaere Gebruik, die de Wetten uitmaken, hare wortels al sedert vele eeuwen geschoten hebben. Hier uit is ligtelijk op te maken, dat men, nu van agtere komende, de Taelwetten moet vinden en niet maken”, L. TEN KATE, Aenl. 1, 13; ”Onze gehoorzaamheid aan taalwetten, waarvan zij (dichters) zich zoo dikwijls ontslaan, is een band, die meermalen evenzeer knelt als de maat hunner verzen”, GEEL 268 [1840]; ”Stellig is het nooit de bedoeling des hoogleeraars (t.w. die van Siegenbeek) geweest, zijne spelling als spelwet, en veel minder als taalwet te doen eeren”, BEETS, Sparsa 43); 2°. wet op het gebruik van een taal of talen in zeker land (”Onze wetgeving maakte de wet van 1873. … Hadde men ze slechts eerlijk toegepast! Maar haar was het lot beschoren sedert door al onze taalwetten ondergaan: zij werd geschonden in de letter en naar den geest”, J. V. RIJSWIJCK Jr. 2, 21)
taalwijziging (”De direkte oorzaak … der gelijkmatigheden in de taalwijziging, welke wij klankwetten noemen”, SCHRIJNEN, Handl. 136)
taalwoestheid (”Op dat 'er niet begaen en worden Ontaligheden (tael-woestheydt) of Ondege woordtvoegingen (wanspraecke) nae de tael-eygenschap van eenigerhand Sprake” (lat. Barbarismi), COMENIUS, Deure d. Taalen 224 [1666])
taalworm (”Bedorven lezingen, die door nog onverstandiger uitleggingen van 'tgeen deze taalwormen niet verstonden nog rijklijk verslimmerd werden”, BILD., N. Versch. 4, 120)
taalwortel (”Uit die woordvormen … trekt men de eenvoudigste bestanddeelen, die een zeker aantal woorden met elkaar gemeen hebben, d.w.z. uit die woorden trekt men de taalwortels”, TE WINKEL, in N. en Z. 16, 506)
taalwurmer (”De Taalwurmers hebben door hun willekeurigheden de netheid van denken verstoord”, BILD., Spraakl. 309)
taalzifter (”De wijze, waarop het boekske is ingebonden, toont dat de leden van het dichtgenootschap het als een sieraad hunner boekerij beschouwden, niet om de dichterlijke waarde der vertaling, die in 't oog van taalzifters als zij niet groot kon zijn, maar” enz., VEEGENS, Hist. Stud. 2, 103 [1863])
taalzifterij
taalzuiveraar (”De Taelzuiveraers (Critici) die … om eene letter … zouden doodt blyven”, POERAET, Spell. v. Moonen verd. 5; ”Dat gy met plotseling te vallen op de Taalzuiveraars en Meesters Woordemakers een algemeene en onuitwisselyke spyt in dat Volkje hebt verwekt”, V. EFFEN, Spect. 4, 41 [1732]; ”De spitsvoudige Nederlandsche taalzuiveraar heeft (het woord benutten) … als een germanisme gebrandmerkt”, FRANKEN, in N. en Z. 9, 347; zie ook een voorbeeld DE VREESE, Gallicismen XXXVIII)
taalzuiveren (”Een Aristarchus is, in onze eenvoudige Christentaal, zo veel te zeggen, als iemand, die met de Vaerzen der Dichters leeft, als onze Teekenmeester pleeg te doen, wanneer wy een schetsje van een bloem … maakten; en schynt byzonder bedreeven in het geen men taalzuiveren heet”, WOLFF en DEKEN, Leev. 3, 243 [1784])
taalzuivering (”De Datheensche psalmberijming en dergelijke barbaarschhede meer hebbe, gelukkigerwijze, reeds lang plaats gemaakt voor eene gewenschte taal-zuivering”, Geld. Volksalm. 1844, 154; ”Proeve van Middelnederlandsche Taalzuivering”, Titel v. e. werk v. M. DE VRIES; ”De organen, die taalzuivering in hun program hebben opgenomen”, FRANKEN, in N. en Z. 9, 347; ”Gallicismen in het Zuidnederlandsch. Proeve van Taalzuivering”, Titel v. e. werk v. W. L. DE VREESE; zie ook een voorbeeld bij taalverrijking)
taalzwier (”De taalzwier bied welspreekendheid de hand”, V. D. WILP, Ged. 204); enz.
— Als tweede lid. Bastaardtaal, beestentaal, bijtaal, bijbeltaal, bloementaal, boekentaal, boeventaal, bordeeltaal, brabbeltaal, christentaal, dieventaal, dingtaal, dronkemanstaal, engelentaal, gauwdieventaal, gebarentaal, gijlerstaal (gielerstaal), grondtaal, haaltaal, herderstaal, hoftaal, hoofdtaal, jagerstaal, Kanaänstaal, kanseltaal, kanselarijtaal, karnemelkstaal, keukentaal, kindertaal, kleutertaal, koopmanstaal, krijgsmanstaal, kwataal, land(s)taal, lastertaal, leugentaal, lippentaal, loftaal, logentaal, mannentaal, menschentaal, modetaal, moedertaal, orakeltaal, priestertaal, rechtstaal, regeeringstaal, salontaal, schooierstaal, schooltaal, schrijftaal, schuimtaal, soldatentaal, spreektaal, stadhuistaal, stadstaal, stamtaal, straattaal, streektaal, studententaal, tooneeltaal, vaktaal, verkeerstaal, vingertaal, vleitaal, voertaal, vogeltaal, volkstaal, waaiertaal, wartaal, wereldtaal, zeemanstaal, zigeunertaal, zustertaal (zie die woorden of het eerste lid).
— Verder: Cultuurtaal, 1°. taal der beschaafden (”Het gevoel is in de kultuur-taal sterk op den achtergrond gedrongen. De gevoelsnuancen der woorden zijn dan ook in de beschaafdentaal niet half zoo levendig als in de dialekten”, V. GINNEKEN, in N. Taalg. 4, 254); 2°. een bepaalde taal waarin een hoogere cultuur zich uit, taal van een beschaafd volk (”De grootere rijkdom dier ”cultuurtalen” bestaat … niet alleen … in het aantal woorden …, maar veeleer in … den grooteren, rijkeren inhoud van elk woord”, J. W. MULLER, in Taal en Letteren 9, 210)
dierentaal
dochtertaal, min juiste maar zeer gebruikelijke benaming voor een taal die, met andere, een jongere vorm is van een oudere, een zgn. ”moedertaal” (”Evenals wij de Indogermaansche grondtaal moeten opdiepen uit de vergelijkende studie van de afzonderlijke dochtertalen”, VERDAM-STOETT, Gesch. d. Ned. Taal? 26)
gebedstaal (”Hij was gekomen om te bidden, maar hij kan geen gebedstaal vinden, slechts deze woorden zeggen: O God, wees mij zondaar genadig!”, BEETS, St. Uren 2, 442 [1849]
geluidtaal (”Dat de beschaving de geluidtaal heeft aangekweekt en verfijnd, de teekentaal der lichaamsbeweging daartegen zoo veel mogelijk onderdrukt en doen inkrimpen”, BILD., Spraakl. 3)
gevoelstaal (”Deze verstandelijke taal verschilt hemelsbreed van de gevoelstaal, die het natuurlijk teeken is der zinnelijke gewaarwordingen, en derhalve gemeen is aan menschen en dieren”, POTTERS, Catech. 1, 259)
groeptaal (”Een Nederlandsch dialect is een groeptaal, niet al te zeer afwijkend van het algemeene Nederlandsch, en als moedertaal gesproken door een Nederlandsche bevolking die op een scherper of vager omlijnd gedeelte van den aardbodem te zamen woont”, V. GINNEKEN, Handb. 1, 13)
hulptaal (”Het Esperanto, een kunstmatige hulptaal naast de bestaande talen”)
kringtaal, hetzelfde als groeptaal
kunsttaal, 1°. zie Dl. VIII, 565; 2°. kunstmatige taal (”Het Kawi, dat werkelijk een oudere vorm van het Javaansch bleek te zijn en nu voortaan door niemand meer voor een kunsttaal mocht worden gehouden”, UHLENBECK, in Jaarb. Kon. Akad. 1917, 2, 37)
leestaal (”Spreek- en Lees-tael”, L. TEN KATE, Aenl. 2, 74)
mengtaal, mengeltaal, in taalkundige geschriften van de 19de en 20ste eeuw gewoonlijk een vert. van hd. mischsprache (”Van mengtalen spreekt men dan, wanneer twee talen zoo zijn samengegroeid, dat men niet kan uitmaken, welke taal de bovenhand heeft”, SCHRIJNEN, Handl. 58); ”Die ”overgangs”- en ”mengtalen” van personen met tweeslachtige, gemengde of halve cultuur”, KLOEKE, in Tijdschr. 43, 185; ”Dat 'er buyten die (t.w. de eigenlijke maleische taal) nog wel een bastaard en Mengel-Taal gesproken word”, VALENTIJN, O.-I. II, 1, 245 a [1724])
omgangstaal (zie Dl. X, 226, en nog: ”Onze meer beschaafde algemeene omgangstalen”, V. GINNEKEN, in N. Taalg. 4, 252)
oogentaal
overgangstaal (zie een voorbeeld bij mengtaal)
paradijstaal (”Volgens Becanus is het Nederlandsch de paradijstaal geweest”)
postzegeltaal, het kenbaar maken van zijn bedoelingen door verschillende manieren waarop men postzegels op een brief plakt
schrifttaal (”Het gene ter beschaving der schrifttaal … niet weinig toebragt, was, dat reeds in het midden der dertiende eeuw, … de openbare landsbesluiten … in het nederlandsch begonnen gesteld te worden”, YPEIJ, Gesch. d. Ned. Tale 1, 313; ”Volksuitdrukkingen …, die om hunne juistheid, schilderachtigheid of oudheid verdienen in de schrifttaal opgenomen en bewaard te blijven”, bij WINKLER, Oud Nederl. 37)
snabbeltaal, woorden die snabbelende, d. i. haastig en onduidelijk, gezegd worden (DE BO [1873])
spraaktaal (”Tot haer ghemeyne spraeck-tael gebruyckten sy niet als Frans”, Holl. Merc. 1654, 26 a [1659])
teekentaal, het kenbaar maken van gedachten en gevoelens door middel van teekens (”Deze teekentaal van den hond, door middel van de afwisselende zamentrekking zijner verschillende staartspieren, is ons allen gemeenzaam”, HARTING, in Alb. d. Nat. 1856, 1, 319 [1856]; zie ook een voorbeeld bij geluidtaal); enz.
— Het eerste lid noemt de personen tot wier kring de taal, in de samenst. aangegeven, behoort. Afzetterstaal, bij WINKLER, Dialecticon 2, 410, als een benaming voor Bargoensch
beschaafdentaal (zie een voorbeeld boven bij cultuurtaal)
boerentaal, diamantslijperstaal, dichtertaal, doofstommentaal
groote-menschentaal: tegenover kindertaal
hoerentaal, Jodentaal, jongenstaal, katholiekentaal
landlooperstaal, bij WINKLER, Dialecticon 2, 410, als een benaming voor Bargoensch
matrozentaal, meisjestaal, mijnwerkersprotestantentaal, schooljongenstaal (zie een voorbeeld Tijdschr. 43, 161), schoolmeisjestaal, smidstaal, timmermanstaal, visscherstaal, vrouwentaal; enz. Zie nog verschillende in V. GINNEKEN, Handb. 2.
Buurtalig (zie Dl. III, 1936)
ééntalig, tweetalig (enz.), 1°. één, twee (enz.) talen sprekende en verstaande (”De lieden van den beschaafden stand (in Vlaanderen en Brabant) … waren allen tweetalig (bilingues). Zij spraken Fransch, als de taal der beschaving en goede opvoeding, onderling, en Nederlandsch tot hunne dienstboden en boeren”, HALBERTSMA, Aant. op MAERL., Spieg. Hist. IV, 68; ”De meeste Belgen zijn ééntalig, kennen alleen Vlaamsch of Fransch (Waalsch); vooral in de steden, in de eerste plaats Brussel, treft men veel tweetaligen aan”); 2°. van geschriften: in één, twee (enz.) talen geschreven; vandaar: ééntaligheid, tweetaligheid (enz.)
kwaadtalig (Dl. VIII, 647)
lieftalig (zie een voorbeeld boven bij taalvloeiend).
Aanvulling bij TAALI
?Samenst. Taalbarrière.
Taalbarrière, barrière in fig. zin die gevormd wordt door het verschil in taal tussen aangrenzende landen of tussen sociale groepen, v. dale [1976].
— Dat er een taalbarrière bestaat, die een belangrijke belemmering vormt voor kinderen uit lagere beroepsmilieus bij doorstroming van lager onderwijs naar middelbaar onderwijs, O.K.W. Med. 29, 94 c [1965].
In de veelal zeer luxe Orbis-gelegenheden bestaat nauwelijks een taal-barrière, Volkskrant 29 Febr. 1968, 37 g.
?Taalbeheersching.
Taalbeheersing, het beheersen van de of een taal, v. dale [1976].
— Taalbeheersing. Mondeling is deze van belang voor de omgang met mensen. Schriftelijk voor het opstellen van rapporten, het duidelijk formuleren van ideeën en richtlijnen, slikboer, Bedrijfsorg. 131 [1946].
Bij de beoordeling van de taalbeheersing van onze jongeren speelt het generatieverschil en het verschil in taalnormen bij ouderen en jongeren een grote rol, O. Taal 36, 10 b [1967].
Op het gebied van de taalbeheersing wordt de invloed van tekstpresentatie op tekstbegrip onderzocht naast onderzoekingen naar luistervaardigheid en schrijfvaardigheid, Uitleg 475, 28 b [1976].
?In de verb. actieve, passieve, mondelinge, schriftelijke taalbeheersching.
Dat men van het onderwijs verwachten mag, behalve de overdracht van een aantal cultuurfactoren, ook een redelijke actieve en passieve, mondelinge en schriftelijke taalbeheersing, O.K.W. Med. 25, 168 c [1961].
Evenals in voorgaande jaren, organiseert het Centraal Comité voor Voordracht en Publikatie in de maanden februari en maart cursussen mondelinge taalbeheersing voor docenten en tweede- en ouderejaarsstudenten, Acta et Agenda 6, 365 b [1974].
?Taalbewustzijn, bewustzijn van wezen, waarde en werking van de (eigen) taal.
v. dale [1976].
— Verkeerde spraakkunstige vormen, onhandig gesmede woorden enz. en welke ontsiersels niet al meer, komen ongemerkt in zwang en bederven het taalbewustzijn der natie, M. DE VRIES in Dl. I, LXXXI [1882].
Wanneer door de grote differentiatie der varianten een phoneem voor ons taalbewustzijn gaat uiteenvallen, streeft dan misschien de taal er naar om aan de varianten de differentiërende functie te geven, karakteristiek voor phonemen? v. wijk, Phonologie 76 [1939].
Zelfs nu de talen tot volledige zelfstandigheid zijn gekomen, functionneert de oude moedertaal onzer cultuur (het Latijn), zij het vaak maar half bewust, nog menigmaal als een scheppende en regulerende factor op de achtergrond van ons taalbewustzijn, HEEROMA, Taalnat. en Taalcult. 25 [1949].
?Taaldocent.
Dit jaar zal een reeks van zeventien zittingen in België, West-Duitsland en Nederland worden bezocht door vertalers, tolken, documentalisten, taaldocenten, chemici, economen, journalisten en andere belangstellenden in deze moderne ontwikkeling van praktijkdiscussies, O.K.W. Med. 26, 366 c [1962].
?Taalgevoeligheid, gevoeligheid voor de nuances, de uitdrukkingsmogelijkheden van (zijn) taal.
v. dale [1976].
— Alleraardigste brieven kon zij schrijven als zij wilde, wat ver gezocht misschien, wat erg druk en grillig, maar geestig wel, en van een niet alledaagse taalgevoeligheid, vestdijk, Iv. Wachters 49 [1951].
?Taallaboratorium (talenlaboratorium), samenstel van technische installaties zooals taperecorders ten behoeve van het onderricht in en het onderzoek van talen.
v. dale [1976].
— De minister (heeft) aan een klein aantal scholen subsidie verleend voor de inrichting van een talenlaboratorium, O.K.W. Med. 26, 442 a [1962].
Dr. B.C. Damsteegt, directeur van het talenlaboratorium, deelde mee dat het instituut de beschikking heeft over twee practicumzalen, waarin met behulp van bandrecorders maximaal 30 studenten per college-uur bij hun talenstudie worden begeleid, Uitleg 153, 3 a [1969].
?Taallandschap, wijze waarop taalvarianten of talen over een gebied verspreid zijn.
Wie het Overijselse taallandschap wil begrijpen, moet … letten op het verloop van rivieren, beken en weteringen, op de ligging der venen, HEEROMA in Overijssel 1947, 40.
Door evenwel een … vlakke kleur te kiezen voor de weergave, suggereren we licht voor dit taallandschap … een tamelijk grote frequentie van deze vormen in verhouding tot die van de overige benamingen, v. vessem, Oostgerei 18 [1956].
?Talenpracticum.
Talenprakticum, apparatuur voor audiovisueel vreemde-talen-onderwijs, broersma, Raap [1970].
Talenpracticum, inrichting voor praktisch onderwijs in vreemde talen met behulp van bandopnemers, v. dale [1976].
— Staatsecretaris Stubenrouch heeft zich doen vertegenwoordigen door: dr. H.A. Gribnau, inspecteur van het v.h.m.o., bij de ingebruikname van het talenpracticum van de Vereniging `Kennemer Scholengemeenschap' zaterdag 14 april jl. te Bloemendaal, O.K.W. Med. 26, 162 a [1962].
Een onderzoek naar de waarde van het talenpracticum voor het Nederlands, O. Taal 36, 12 b [1967].
?Taalprobleem, probleem omtrent (een) taal of omtrent taalgebruik.
v. dale [1976].
— De studie van de Oostnederlandse taalproblemen krijgt … een dubbele betekenis: in de eerste plaats dient zij om het eigen karakter van de Oostnederlandse taal te herkennen en af te grenzen tegenover Hollands ter ener en Nederduits ter anderer zijde, in de tweede plaats geeft zij ons een sleutel tot het verstaan van de Nederlandse taalgeschiedenis in het algemeen, HEEROMA, Oostned. Taalproblemen 2 [1951].
Ieder heeft in zijn dagelijkse werk met taalproblemen te maken; er is tenminste één … instelling in ons land die bereid is uw vragen op taalgebied te beantwoorden …. De taalgebruiker zal zo inlichtingen kunnen krijgen over spraakkunstige verschijnselen, over maatschappelijke aspecten van het taalgebruik, over nieuwe en vreemde woorden, O. Taal 36, 12 a [1967].
Taalstructuur.
?1°. Wijze waarop taaluitingen, taalgebruik, taalkunstwerken worden gestructureerd.
v. dale [1976].
— Het vervaardigen eener redekunstig-harmonische taalstructuur, v. eeden, Stud. 3, 10 [1897].
Naast de gespannen lyrische dictie breekt zich een eenvoudiger vers baan, dat zich in taalstructuur en woordgebruik nauw aansluit bij de natuurlijke vormen van het gesproken Nederlandsch, V. ES in Gesch. Letterk. d. Ned. 4, 9 [1948].
?2°. Wijze waarop een taal (grammaticaal) gestructureerd is.
Al deze taalstammen hebben elk een eigen woordenschat en een telkens weer andere grammatische en syntactische taalstructuur, Kath. Encyclop. 22, 398 [1938].
?Taaltuin, taal vergeleken met een tuin, waarbij gedacht wordt aan een verscheidenheid van planten bij den rijkdom van de taal en aan onkruid bij de uitdrukkingen die haar ontsieren. Meermaals als titel van taalkundige werken of van bijdragen over taal in kranten e.d.
Onze Taaltuin. Maandblad voor de wetenschap der taal als volksuiting, nationale cultuurschat en instrument voor schoone kunst, titel [1932].
Germanismen zijn niet enkel een onkruid in onze vaderlandse `taaltuin'; het zijn woekerplanten die alles dreigen te verstikken, gerl. royen, Taalpanopt. 429 [1948].
Ik hoop dat m'n goeie vriend Moeyaert die z'n taaltuintjes ik altijd zo graag lees, het me niet kwalijk neemt als ik als een ongevaarlijke mededinger voor één keer 's zo'n klein brokje uit de taalschatkamer te voorschijn haal, Ons Erfdeel 10, 2, 137 [1966].
?Taalvaardigheid.
Taalvaardigheid, vaardigheid in het taalgebruik, taalbeheersing, v. dale [1976].
— Bij de opleiding van leraren in de opvoedkunde dienen de vraagstukken die betrekking hebben op het belang van de taalvaardigheid in de pedagogisch-didactische situatie, te worden behandeld, O. Taal 36, 14 a [1967].
Een voorbeeld van onderzoek naar taalvaardigheid is een vergelijking van de uitspreek-basis van het Frans met die van het Nederlands, Uitleg 475, 28 c [1976].
?Taalvariant, variant van een uitdrukking, een uitdrukkingswijze in een taal.
Aant. v. A. V. DAM [c. 1960].
?Taalverkeer, verkeer, communicatie door middel van taal.
Met grote zorg moeten allen die geacht kunnen worden van enige invloed te zijn op het openbare taalverkeer, het goede voorbeeld geven: de overheid …, de radio en de televisie, O. Taal 36, 11 b [1967].
?Taalverzorging, zorg voor een correct en helder taalgebruik.
Mogelijkheden en moeilijkheden van taalverzorging, titel v.e. werk v. J. VEERING [1966].
Jammer genoeg denken nog te velen dat het taalonderwijs ophoudt na de laatste schoolklas. Maar juist ná de school zal taalverzorging de aandacht moeten behouden en geïntegreerd worden in onze ontwikkeling en groei, O. Taal 36, 14 a [1967].
?Taalvirtuoos.
Taalvirtuoos, virtuoos in het hanteren van de taal, v. dale [1976].
— Men noemt Couperus een taal-virtuoos en daarin heeft men groot gelijk, Gids 1906, 1, 416.
Tussen de beide geestdriftige dichters, de vurige propagandisten voor hun geloof, de uitbundige taalvirtuosen bestaat … een onmiskenbare verwantschap, DE VOOYS in Gesch. Letterk. d. Ned. 7, 335 [1948].
Hendrik de Vries, de zoon van de filoloog Dr. Wobbe de Vries, is een eksperimentator met de taal en een taalvirtuoos, Ons Erfdeel 10, 2, 151 b [1966].
© 2007 INL. Artikel geschreven in 1928.
(E?)(L?) http://gtb.inl.nl/iWNTLINKS/DATADIR/paginazy.html?EWA+Taal+EWA-taal.htm
taal s.nw.
1. Aangebore vermoë van die mens om 'n verskeidenheid tekens en reëls tot betekenisdraende elemente te kombineer om sodoende gedagtes te uiter en te kommunikeer. 2. Spesifieke wyse waarop betekenisdraende elemente gerangskik word, of styl. 3. Kenmerkende spraak van 'n bepaalde gemeenskap, groep of volk. 4. Kommunikasiemiddel van 'n bepaalde dierespesie. 5. Middel of simbool, anders as taal (TAAL 1), om gedagtes of gevoelens mee uit te druk.
Uit Ndl. taal (al Mnl. in bet. 1 – 3, 1556 in bet. 4, 1786 in bet. 5).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1888 in bet. 3), ook in verskeie samestellings, o.a. taalbond (1892), taalbeweging (1970), taalmonument (1971), taaltoets (1972), taalfees (1975), taalstryd (1975) en taalstryder (1980), en as tweede lid in moedertaal (1957).
Woord
Woord (W3)
(E?)(L?) http://gtb.inl.nl/iWDB/search?actie=article&wdb=WNT&id=M087160&lemmodern=woord
Woordsoort: znw.(o.,m.)
Modern lemma: woord
znw. onz. (soms ook m.), mv. -en (in de oost. dialecten wordt het mv. ook gevormd met behulp van umlaut: weurd, woeëd e.d.). Mnl. wort, woert, woord. Van een idg. wortel *[uibreveb]er- (die in gr. e???, ??t?? en ??µa aanwezig is) met een stamvormend element -dh-, en wel van den nultrap *[uibreveb]?dh- (waarvan ook lat. verbum, met idg. dh > lat. b).
+I) Als collectivum.
+A) In het alg. Niet gespecificeerde mondelinge (minder vaak: schriftelijke) taaluiting die uit meerdere woorden (II, A, 26) bestaat en een zekeren begripsmatigen samenhang bezit; wat gezegd (of geschreven) is.
+I) In het enk.
+1. Begrensde mededeeling, korte opmerking, uiteenzetting of meeningsuiting, al dan niet als deel van een gesprek (of geschrift).
In de vaste verb. is niet altijd duidelijk uit te maken met welke bet. van woord men te doen heeft; bij het onderbrengen van deze verb. onder een bep. bet. is derhalve van een zekere willekeur sprake.
?a. In vrij gebr.
Den naem deser landouwen … Was nae onser talen genoempt den tijt Hoe wel hij lanc ende breet is ghescitueert Nochtans seer haest is hy ghepasseert … Daer vernam ic om corten mijn woerdt Dat den tijt op een cort gaet zeer voerdt, pertcheval, Camp v.d. doot b v r° a [1503].
Dat dvvord tot gheenen stand en can gheraken Ontreckt ghy haer het voedsel in u dicht, de castelein, Const v. Rhetor. 31 [1548].
Ik (had) nogtans al te veel voorsigtigheid, en eerbiedigheid voor den Marquies … om het geringste woord daar van (t.w. van het overspel van de markiezin) te kennen te geven, heinsius, Verm. Avant. 1, 119 [1695].
Tirannen kunnen ligt een ydele uitvlucht vinden: Maar altyd strydt hun woord met 't geen zy onderwinden, LANGENDIJK 2, 31 [c. 1720].
Zy hoort hier een woord, en zy vangt daar een woord, en zy merkt hier wat op, en zy ziet daar zo wat van; dan gaat zy heen …, en klutst dit alles in haar harssenvat tot hakmoes, WOLFF en DEKEN, Leev. 2, 26 [1784].
Nu nog een woord over de kleeding zelve: bij de Vriesche kleeding, wil men het Nationale daarvan geheel overnemen, behoort eene soort van lang jak, Br. v. twee Amst. Dames 12 [1832].
P. S. Hiernevens een woordeke, hoe eer hoe liever te zenden. Lees het s.v.p. en, zoo gij meent dat ik de correctie, zonder vrees voor zinstorende feilen, aan Kruyt kan overlaten, wil het dan in het eerstvolgende no. opnemen, GROEN in Briefw. Groen v. Pr.-Kuyper 329 [1874].
?— Genoemd tgov. werk en daad.
Wacht u, uw faem, met schande, te besmetten. Ontstight geen mensch met werreck oft met woordt, hooft, Ged. 1, 175 [c. 1620].
Dit 's Hoogvliet, kloek van geest, oprecht van woort en handel, spex 244 [1755].
b. In verb., als obj. van een ww.
?— Zijn woord eten, het gezegde inslikken, niet uitvoeren. Gewest.
Hij moet zijn woord opeten (of: weder inslikken), harreb. 2, 481 a [1861].
Het was te zien of de bazen uit den Koekoek en het Heikneuterken, die verklaard hadden, dat het polissen zou gedaan zijn, of de duivel zou de kaars halen, hun woord niet zouden eten? segers, Wonderd. 15 [1913].
?— Iem. het woord uit den mond nemen, datgene zeggen wat hij juist op het punt stond te zeggen. Zie ook Dl. IX, 1060.
SEWEL [1766].
— Ja ik kan ook wel wat uit de Schrift, al pronk ik er zo niet meê als zekere vrouwen, die de leeraars dikwijls het woord uit den mond neemen, en het gras voor de voeten wegmaajen, wolff en deken, Wildsch. 3, 73 [1793].
”Je meent natuurlijk Hektor?” zegt hier iemand terstond: ”Mijnheer, U neemt my het woord uit den mond!” Schoolm. 206 [voor 1858].
?— Een woord aan iem. hebben, iets aan iem. te zeggen hebben.
schuerm. [1865-1870].
?— Woord en wederwoord hebben, gezamenlijk mondeling overleggen.
Een bequame ende vruntlike tsamensprekinghe waer meer van node in daden ende tractaten der comenscappen dan een brief ofte epistele om mit malcander woert ende wederwoerden te hebben ende alsdan daerinne te concluderen ofte sluyten, want het es een ghemeen woert, dat wairdigher ende bequamer is die levendighe stemme dan de letter is, R.G.P. 14, 239 [1505].
?— Een woord spreken, iets zeggen.
Int himmen hoesten ofte spreken een woert Daer bi de campioen mocht worden gestoert, pertcheval, Camp v.d. doot f ij r° [1503].
Mynheer Smet, als het u belieft, mag ik eens een woordeken spreken? Neem het niet kwalyk, dat ik zoo stout ben, consc., Geluk 77 [1855].
Iemands woord spreken. Zie Dl. XIV, 3024.
?Iem. een woordje spreken, een oogenblik met iem. spreken, even een praatje met iem. maken.
Princes, ick bid, jou iens ande deur verstout, Ick hadje garen ien woortje ghesproken, biestkens, Cl. Kloet G 2 r° [161.].
Maar, mag Ik jou wel eens een woordje spreeken? elias, Ontv. Vr. 20 [1688].
Den 17 December quam van Batavia, de Borger M.A., hier woonachtig, en maar een oog hebbende; die veel nieuws van daar mede bragt, ook veel menschen aan zyn huys lokte, en onder anderen … twee Lieden …, die ook maar een oog hadden, by welke drie een-oogigen … nog een soldaat van Boero quam, die mede maar een oog had, en verzogt dezen M.A. een woordje tusschen vier oogen te spreken, valentijn, O.-I. II, 2, 275 a [1724].
Ei lieve Neef, zou ik je wel een woordje alleen mogen spreken? — Zo, Tante, (zei ik,) dat beduidt niet veel goeds, WOLFF en DEKEN, Leev. 5, 204 [1785].
?Een hartig woord(je) spreken, zeggen, eens flink en onomwonden zijn meening geven.
Casimir Périer's staatkunde is vredelievend, maar het zijn en blijven Franschen, en hun toon zal ondragelijk worden zoo … Engeland door binnenlandsche verdeeldheid belet wordt een hartig woord naar buiten te spreken, falck, Br. 318 [1831].
Ze kon den man van haar lieve Bet niet zoo maar hooren uitschelden, zonder er een hartig woordtjen van te zeggen, schimmel, B. v. Omm. 2, 9 [1870].
?Een woordje in het vlij spreken, een paar woorden spreken om twee partijen met elkaar te verzoenen.
Neemt me tas seg ic met gelt met al, over acht dagen koom ic je weer by En haelt de rest weerom, maer spreeckt een woortgien int vly, coster 59 [1612].
?Een vrij woord spreken, vrijuit praten.
Ik ging met de sloof in myn Tuinhuis zitten; dan, dagt ik, kan men een vry woord spreeken, WOLFF en DEKEN, Leev. 6, 5 [1785].
?— Zijn woord waar doen, zijn woord met getuigenissen bevestigen, de waarheid van wat men gezegd heeft met daden, werken bewijzen.
Christus, niet teghenstaende soo veel schoone ende groote mirakelen, haddet noch quaedt ghenoech, midts de archeydt der Joden, altijdt noch nieuwe teeckenen versoeckende, wilde hy sijn woordt waer doen, ende snede gheuen, david, Doolh. 79 [1605].
De Heere waer-makende dat vant Euangelium, Hemel ende aerde sullen vergaen: maer mijn woorden en sullen niet vergaen, heeft dat woort dat hy tot sijn uytvercoren ghedaen hadde met dusdanige getuyghenisse beuesticht, de wit, Lev. v. S. Geertr. 2, 44 [1607].
?— Een woord(je) wisselen (over), met elkaar praten (over).
Vóór men met onze Vriendin de Rede daar nog een enkeld woordje over wisselde, wolff en deken, Blank. 1, 151 [1787].
Onnoodig toch, dat gy weigeret met my, als gezel, een woordje over de zaek te wisselen, consc., J. v. Artev. 2, 149 [1849].
Zij kon ook wel bij gelegenheid een woord over weer en wind met een onverschillige of een voorbijganger wisselen, loveling, D.E. 29 [1891].
?— Iem. een woordje zeggen, iemand wat zeggen, even met iemand praten.
Ik heb u een woordtjen te zeggen, lief kind! Maar moet u in 't heimelijk spreken, BILD. 1, 92 [1794].
'k Zou u geern een woordeke zeggen, boer, stijn streuvels, Minneh. 2, 63 [1903].
?— Een woord(je) zeggen van (over), een (korte) uiteenzetting geven over, (kort) iets mededeelen over.
Goetwillighen Leser ghy hebt hier … de vermaninghen vanden H. Abt Dorotheus, van den welcken ick u lieden een woordeken sal segghen, om den selven Autheur ende sijn boecxken meer kennelijck te maecken, knibbe, Gheest. Leer. e ij v° [1639].
Om ten slotte nog een woord te zeggen over het verschil aangaande het gebruik der ij of y, brill, Holl. Spraakl. 118 [1846].
Het verschijnen van dezen bundel dunkt mij een gelegenheid om over den auteur Netscher in 't algemeen, den kritikus en den kunstenaar, een woordtjen te zeggen, V. DEYSSEL, Verz. Opst. 1, 37 [1886].
?— Zijn woordje zeggen over, zijn meening geven over.
Wel zou ik over 't Staatsbestuur Mijn woordje zeggen willen, de cort, Lied. 28 [1868].
c. In verb., als subject van een ww.
?— Het eene woord haalt het andere uit e.d. 1°. Bij een ruzie: de een maakt een ruzieachtige opmerking, een ander reageert daar weer op, waarop de eerste weer het woord neemt enz.
Dat een woort brenghet dander in. Lis litem ferit, servilius 182 a [1545].
Dit ziende ende hoorende de Vlamijnghen …, dat zij (t.w. eenige dronken Walen) zulc overlast voor haer ooghen bedreven, zijn een partije uutghecommen, ooc met haer gheweere, ende deen woort bracht dander inne. Zoo dat zij werden vechtende, v. vaernewijck, Ber. T. 2, 217 [1567].
't Eene woord loktet ander uyt, spieghel 279 [1606].
Hoor Ceely, wy moesten malkaar hier zo niet bejegenen. Wy spreeken onder ons; het eene woord haalt het aâr uit. Jy bent immers ook zoo zuiver niet, de rijk, Besteedster 27 [1692].
Hy is somwyl wat raar; en ik kan ook altyd niet zwygen; en het eene woord haalt het ander uit; maar wy zyn toch regt wel met malkaar, want het is een braaf Man, WOLFF en DEKEN, Leev. 4, 332 [1784].
Nou, 't eene woord haalt 't andere uit en toe de scheerdersvrouw d'r voor de derde keer met d'r haring in d'r gezicht slaat, neemt me vrouw haar visschie en geeft d'r de scheerdersvrouw een lik mee op d'r wang, abramsz, Lev. Beelden 121 [1909].
?2°. Bij een gesprek resp. bij het spreken of schrijven: het gezegde geeft den ander aanleiding tot reageeren, resp. men associeert voortdurend door op wat men zelf gezegd heeft.
Dat is de reden, dat ik u zo een langen Brief schryf; want het hart wil een klaager hebben; en het eene woord haalt het andere uit, WOLFF en DEKEN, Leev. 6, 129 [1785].
Verschoon mij dat ik u zo een langen brief schreef, maar het ééne woord brengt het andere voort, wolff en deken, Wildsch. 1, 299 [1793].
Zoo doende komt men toch, hoe langer hoe nader bij de waarheid: zoo haalt het eene woord het ander uit, (gelijk men zegt) zoo behartigt men het audi & alteram partem [hoor en weder hoor], Janus verrezen 1, 311 [1795].
Ik had gewandeld en rustte wat uit, toen de man met een vriendelijk: ”'t Zal meneer toch niet gêneeren” naast mij plaats nam. Het banale ”Lief weertje, meneer” volgde; 't eene woord lokte 't andere uit, en 't duurde niet lang of ik wist, dat mijn buurman een reeks van jaren als knecht in een tapperij had gediend, v. maurik, V. all. Sl.? 121 [1881].
?— Het woord lag juist op mijn tong, ik wilde het net zeggen.
JOOS [1900-1904]. TEIRL. [1922]. corn., Bijv. [1938].
?— Het woord moet eruit, datgene wat men bijna niet durft zeggen (datgene waar het om te doen was), moet gezegd worden; de bekentenis moet worden afgelegd. Zie ook onder e).
Men kan veele Raadsheeren vinden, maar Staatsmannen — maar — 't woord moet er uit — maar Beijma's zijn dun gezaaid, in B.H.G. 28, 222 [1783].
”Haar kinderen!” herhaalde Flinck: ”had zij er dan meer dan een?” ”Zij zou er twee gehad hebben,” zeide Juffw. Hermans, ”indien uw … ja! 't woord moet er uit … uw onbarmhartigheid jegens de moeder het leven niet gekost had aan het meisje, dat zij onder 't hart droeg”, v. lennep, K. Zev. 5, 137 [1865].
?— Het woord was nog niet koud, of …, het woord was nog maar nauwelijks uitgesproken, of …
JOOS [1900-1904]. CORN.-VERVL. [1903]. TEIRL. [1922].
d. In verb., als deel van een voorz.-bep. of van een voorz.-voorw.
?— Iem. bij het woord houden, nemen, zijn woorden letterlijk nemen en inhaken op een uitspraak die werd gedaan zonder dat de spreker er rekening mee hield dat hij serieus werd genomen.
Hij houdt zijn bestrijder (in de ”Bibliothèque Impartiale”) bij 't woord. Die criticus had gezegd: neem de menschen zooals ze zijn, niet zooals uw verbeelding ze gaarne wilde hebben. Welnu, hij zal de menschen nemen zooals zij zijn, en wel in de primitiefste toestanden, quack, Soc. 1, 250 [1875].
Zij zouden de negentiende eeuw bij 't woord nemen, als deze tot leus van al haar streven stelde: ”het grootst mogelijk geluk voor het grootst mogelijk aantal menschen.” Zij zouden de arbeiders leeren zich zelven te tellen, 1, 461 [1875].
”Dan moet U van den Broek maar gauw naar Batavia overplaatsen.” ”Drommels mevrouwtje, dat noem ik iemand bij zijn woord nemen. Maar,” en zijn gezicht werd bedenkelijk, ”er zijn zooveel liefhebbers”, daum, Raad v. I. 36 [1888].
?— Iem. bij zijn woord pakken, iem. in het bijzijn van getuigen op lastertaal betrappen en hem voor het gerecht dagen.
TEIRL. [1922].
?— De daad bij het woord voegen, een geuit voornemen direct ten uitvoer brengen.
In 't laatste gedeelte van het gedicht klimt zijn geestdrift, en hij voegt bijna de daad bij 't woord, als hij uitroept: ”Ik spuw mijn vloek U toe, met saamvergaârde krachten, Bij 't geven van mijn jongsten snik”, v. maurik, V. all. Sl.? 114 [1881].
?— (Gron.) Met een woord van waarheid betuigen dat …, de verzekering geven dat …
MOLEMA (hs.) [1895].
?— Iem. op zijn woord vatten, zijn woorden letterlijk nemen en inhaken op een uitspraak die werd gedaan zonder dat de spreker er rekening mee hield dat hij serieus werd genomen.
Mijn hart wil volstrekt dat mijne pen, u, hoewel ik u voor de eerstemaal schrijve, dus noeme; en dewijl gij onze vriendschap wel wilt vernieuwen, zie ik niets onredelijks in deezen wil: ik heb u op uw woord gevat, wolff en deken, Wildsch. 2, 260 [1793].
Ik greep hem in drift aan, en beloofde hem, zoo hij zich daardoor beleedigd achtte, satisfactie te zullen geven. — Hij vatte mij op mijn woord …, en over weinige uren … zal onze zamenkomst in het Bois de Boulogne plaats hebben, loosjes, Bronkh. 5, 107 [1807].
e. In verb. met een bnw. of een nabep.
?— Een gevleugeld woord, een treffend, min of meer spreukachtig gezegde, inz. ontleend aan litteraire werken, dat om zijn beeldende kracht door ieder wordt overgenomen. Zie ook Dl. IV, 1951.
Het is heel iets anders in een vage abstractheid de beteekenis van zoo'n gevleugeld woord aan te duiden, of het in de volle situatie van het levend moment na te voelen en te verstaan, V. GINNEKEN in N.Tg. 3, 90 [1909].
?— Een goed woord, een paar vriendelijke woorden.
Een cleyn goet woort swicht grooten toren, j. v.d. dale 162 [1528].
Die saechtmoedicheyt versoet … Veel raseryen, met een cleyn goet woort, Div. Ref. e. Lied. 33 [1574].
?Een goed woord(je) voor iem. doen, zijn belangen (bij iem.) verdedigen, zijn voorspraak (bij iem.) zijn, hem in iemands gunst aanbevelen, hem (bij iem.) verdedigen.
Och weest ghy (t.w. ”Liefde”) mijnen gesandt, och doet voor my een goet woort: op dat mijnen Jesus … oock door v my snoode wormken gheue een suyver herte, de wit, Lev. v. S. Geertr. 2, 304 [1607].
”Ja, 't is jammer, dat je na den eten komt,” hernam Filip, ”maar zieje, als ik een goed woord aan Stijntje de keukenmeid doe, zou ik je nog altijd wel wat kunnen bezorgen”, v. lennep, K. Zev. 3, 5 [1865].
Vooral wendde hij zich tot Mevrouw V. L. … en smeekte haar een goed woord voor hem en de zijnen te doen, sleeckx 12, 68 [1867].
Ik deed dit op raad van een vriend van mij, een neef van den Commissaris, die vooraf bij zijn oom een goed woordje voor mij had gedaan, batelt, Duister Amst. 11 [1911].
?Ook: een goed woordje voor iem. spreken.
Meermaal bad ik mijn' vader of broêr, om een goed woordje voor mij te spreeken, wolff en deken, Wildsch. 5, 250 [1796].
?Ook: een goed woord verzoeken.
En mijn oppasser heeft zelfs den ploert al Een goed woord voor een draagplaats verzocht, Als soms mijnheers begraafnis Te Leiden plaats hebben mocht, haverschmidt, Sn. en Gr. 15 [1850-'52].
?Pregnant ook: een woord voor iemand doen.
”Zoudt gij niet een woord voor mij kunnen doen?” vroeg hij. De visscher haalde de schouders op: ”Gij begrijpt, dat ik niet voor u kan vrijen,” antwoordde hij, sleeckx 8, 382 [1863].
?Een goed woord geven, vriendelijk toespreken.
Je Moeder was ook over alles mal met je, en ik was evenwel haar Man. Ik kon niet dulden, dat zy iemand buiten my een goed woord gaf, WOLFF en DEKEN, Leev. 6, 285 [1785].
Daarop hielp de Paus, welke in die soort van dingen, als de koningen hem slechts een goed woord gaven, nog al te vinden was, hem aan een' scheidbrief, en Lodewyk trouwde aanstonds de weduwe van zijn' voorganger, Karel VIII, fokke, B.R. 3, 285 [1805].
?Geen goed woord voor iem. over hebben, zeer verbolgen zijn over iem.
Zij had voor geen van allen een goed woord over, couperus, E. Vere 2, 179 [1889].
?Een goed woord spreken. 1°. Bidden.
Terwijl ik dan besig was, om een goed woord te spreken, en te bidden, sprong dit dier … op de stoel, heinsius, Verm. Avant. 1, 129 [1695].
Tartuffe zou een goed woord spreken, maar de Vent badt, (zo noemen zy dat gehuilebalk,) wel een kwartier lang, wolff en deken, Burg. 36 [1782].
Des avonds kon ik ten minste met de mijnen nog een goed woord spreeken, aan tafel, en van hem leeren, wolff en deken, Wildsch. 6, 66 [1796].
?2°. Een vriendelijk woord spreken.
En ik was altoos bang van dat oesteragtig leven. Ik moet gaan, ik moet komen, ik moet hier eens een goed woord spreeken, ik moet daar eens een gift uitdeelen, wolff en deken, Blank. 1, 100 [1787].
— Het groote woord.
?1°. Ongepastheid, beleediging.
Ick lande in 't lest, en vraegh, in 't treden over boordt Naer u. Elck sweegh. Mij was dat swijgen 't groote woordt. Ick … laet niet af te quellen … mijn volck, tot dat sij mij vertellen 'T verraedt van Priams soon, hooft, Ged. 1, 141 [1615].
?2°. Ernstige, gewichtige woorden.
Gesellen, die des avonts vrijt, En dickmael wonder jachtigh zijt, En vaert niet in der haesten voort, En spreeckt niet haest het groote woort, En geeft voor al uw trouwtjen niet, Tot ghy het lief by dage siet, cats 1, 495 a [1632].
?Het groote woord moet eruit e.d., datgene wat men bijna niet durft zeggen (datgene waar het om te doen was), moet gezegd worden; de bekentenis moet worden afgelegd. Zie ook onder c).
Doen isser 't groote woort dusdanigh uyt ghekomen: Ick hadt, o mannen! hoort, grootmoedigh voorghenomen Te sterven, eer ick u souw wysen geldt of goedt, bredero 2, 27 [1615].
't Is Warnar, (hier hebjet) zijn dochter sal bevallen wesen, Hoe sal ick het in desen best stellen aen? Sel ick vertrecken? of blyven, of by heur gaen? Wat zoudt passen dat ick hem hier liet staen karmen, 't Groote woordt moeter uyt, hooft, Ged. 2, 317 [1616].
Als sy begint, soo blijft haer reden steken. Doch naer een lang gedrael, soo komt 'er tot besluyt, Soo komt 'er 't groote woort ten langen leste uyt, cats 2, 72 b [1635].
?— Ergens een groot woord van hebben, ergens hoog van opgeven.
Ze had er groot woord van: zij gaf er hoog van op, aant. v. A. BEETS [Gron., c. 1900].
?Een groot woord hebben, bluffen, grootspreken. Gewest. in Vl.-België.
E groot woord hebben, veel praat hebben, bluffen, grootspreken, CORN.-VERVL. [1903].
— Hij héet e groot woord, Ald.
?— Een hartig woord, een pittige, ongezouten, openhartige meening.
Omdat ik … eenige ruimte zal moeten openhouden voor een hartig woord over historische romans in het algemeen, busken huet, Br. a. Potg. 1, 68 [1864].
?— Het hooge woord moet eruit e.d., hetz. als het groote woord moet eruit. Zie ook onder c).
't Hoog woord quammer op 't lest uyt: sy nam an Dat sy mijn wijf wesen sou, en ick haer wettelijcke trouwde man: Daer gaf sy my de hand op, starter, Dar. B 3 v° [1618].
Moet 'er het hooge woord uit? hoor, ik heb ziekte onder mijn klieren, noozeman, Bedr. Dronkk. A 7 r° [1648].
?— Het hoogste (hooge) woord voeren, hebben e.d., druk en zelfingenomen spreken.
BINNART [1654].
— Daer ellick voert het hooghste woort, Daer niemandt doet als hy behoort, Daer moet het al ten quade strecken, bredero 3, 365 [161.].
De cloeckste vande Vrouwen 'Thooge woordt te laten houwen Dat en raeckte noyt jn myn, Zou en man de minste zyn By het ribb-stick van sen lenden? huygens, Ged. 1, 177 [1620].
Zoo zal een vreemdeling, een worm, het hooghste woort Hier boven voeren … de mensch een' zetel stichten, Zoo verre boven Godt? (Lucifer spreekt), VONDEL 6, 238 [1654].
Die de meeste snap hebben, en het hoogste woord voeren, zijn gemeenlick de holste herssen-beckens en erbarmelickste zielen, de brune, Bank. 1, 187 [1657].
'K ben overal gewoon het hoogste woord te voeren, En al wie beter weet kort of den mond te snoeren. De schaamte quelt my niet, v. effen, Spect. 8, 230 [1734].
Ik wed, om al wat gy wilt, dat uw Zoon denkt, wel heel ordentelyk te zyn, als hy een beleefde buiging maakt, zonder hoed aan tafel komt, nooit het hoogste woord voert, beleefd presenteert, lekker voorsnyd, schoon linnen aan heeft, en ouder lieden nooit tegenspreekt, wolff en deken, Blank. 1, 92 [1787].
?— Een kwaad woord geven, boos toespreken, onvriendelijk bejegenen.
Noyt en gauic sprac dander hoe seer ghestoort. In iemants presencie mijnen man quaet woort, j. v.d. dale 162 [1528].
Hij had ondertusschen deze spirale schoonheid, zoo lang haar broeder Karel de VIIIste leefde, geen kwaad woord durven geven, fokke, B.R. 3, 284 [1805].
?— Het laatste woord, het laatste wat iemand vóór zijn dood zegt.
Elck sprack het leste woord, En daer was geen verhooren, De Mast lagh over boord, En 't roer was langh verloren, huygens 2, 99 [1649].
?— Altijd het laatste woord willen hebben e.d., altijd als laatste nog een opmerking willen maken, zijn meening willen geven.
Hy wil tleste woort altoes hebben, Gem. Duytsche Spreckw. (ed. KLOEKE) 73 [1550].
De quade wyven …, die als zy met hare goede mannen in woorden geraakt zijn, en al lang genoeg gesmaad en gescholden hebben, nog op 't leste zeggen, ik mag swijgen, ik sal u het leste woord laten, daar moet dog iemand de leste wesen, PASSCHIER DE FYNE, Tract. 188 [1642].
Je weet, lieve Tante, hoe de mans zyn! altyd willen zy het laatste woord voeren, WOLFF en DEKEN, Leev. 1, 270 [1784].
Men weet het, zoo haest het op snaeuwen en twisten uitkomt is de man een onmagtig kind in vergelyking der vrouw; hy maekt zich eenige kannen zwart bloed, slaet wat op de tafel en byt wat op zyne tanden; maer heeft hy ooit het laetste woord gehad? consc., Siska v. R. 95 [1844].
De vrouwen willen altijd het laatste woord hebben, harreb. 2, 419 a [1861].
?— Dit is mijn laatste woord, meer zeg ik er niet over, ik blijf bij wat ik zooëven heb gezegd.
Ik bedank u voor de eer, maer myn laetste woord is: neen, consc., Plaeg d. D. 154 [1855].
Dat is mijn laatste woord, harreb. 2, 479 b [1861].
?— Een oneffen woord, een ruwe, ruzieachtige, booze taal. Zie ook Dl. X, 1559 en nog de volg. aanh.
Een oneffen woort wort van haer (t.w. kwaadsprekers) sevenvout Met clinckenden alloy opt spoedichste betalet, revius, Over-yss. S. 53 [1630].
O Droevigh ongeluck! dat my is overkomen, Wanneer ick desen mensch sijn leven heb ontnomen! Hy light, siet, van mijn hant om een oneffen woordt, Doorsteken met 't rapier, en in sijn bloet versmoort! lijftocht, Voor-Winckel 63 [1679].
Na in de trouw geleeft te hebben met haeren overleden Man den tyd van 17. jaeren in eene volmaekte liefde sonder by na het minste on-effen woord gehad, onraet, Lev. v. Fr. Taffin 42 [1721].
?Nooit een oneffen woord hebben met iem., altijd in de beste verstandhouding en vriendschap met hem zijn.
rutten [1890].
— Een waar woord spreken. Zie Dl. XXIV, 137.
?— Er is geen waar woord aan, er is niets van aan, het zijn allemaal leugens.
Hy quam … by zyn Ed:, en verzekerde hem, dat de OrangKaja's voor 4 dagen den Matakau gedronken hadden, om al de nagelen aan ons alleen te leveren. Schoon 'er geen een waar woord aan was, valentijn, O.-I. II, 2, 126 a [1724].
f. Gevolgd door een substantivisch attribuut.
?— Een woord van advies enz., woorden waarmee men advies enz. geeft.
Sententia … Sentence. Opinion & auis. Fantasie. Vn mot de bon enseignement. Sentencie. Meyninghe ende auijs. Fantosie. Een woort van goede onderwijsinghe ende leeringhen, Dict. Tetragl. 278 b [1562].
De Prins van Waldec versocht mij daegs te voren hem somtijts een woordt van advis te willen schrijven, C. HUYGENS Jr., Journ. 1, 1 [1688].
Zijn laatste brief aan mij was een woord van deelneming bij den dood van mijn vader zooals hij dat kon geven, bosb.-touss., Br. a. Potg. 115 [1860].
Ook daar, waar zij amendementen ontmoetten, welke hunne goedkeuring wegdroegen, wilden zij de voorstellers wel een woordje van sympathie en ondersteuning toespreken, buys, Stud. 1, 487 [1872].
?— (Gallic.) Een woord van, een korte opmerking over.
Nu een woord van de plotselinge neerlandschgezindheid des heeren Rogier, VUYLSTEKE, Prozaschr. 1, 13 [1861].
g. In verb. met een bez. vnw. of gevolgd door een gen.-bep. ingeleid door van.
?— Mijn woord, wat ik zeg, wat ik naar voren breng.
Ik weet dat gy hier verschynt met het vast besluit, naer geene voorstellen van overeenkomst of verdrag te luisteren; ik weet ook dat myn woord onmagtig is op uw gemoed, consc., J. v. Artev. 3, 115 [1849].
De jongeling wachtte met neêrgeslagen blik op zyns vaders woord. Na eene wyl vroeg de grysaerd: ”Alzoo, in uwen droom woonde Clara ten onzent? — Als dienstmeid?” consc., Plaeg d. D. 26 [1855].
?— Het woord van (x), wat (x) zegt, naar voren brengt.
Overigens stemde hij met heer Jacob van der Does in, ook wat het woord van Matenesse betrof, die zich eens, bij het breken van zijn heimelijke trouw aan de dochter van Van Vliet, beroepen had op de kerkvergadering van Trente, fruin, Geschr. 2, 430 [1874].
h. In zegsw. en spreekw.
?— Wiens brood men eet, diens woord men spreekt, men staat aan de zijde van dengene van wien men voor zijn levensonderhoud afhankelijk is, men deelt en verdedigt zijn opvattingen.
tuinman 1, 8 [1726].
Sancho-Pança 34 [1850]. modderman, Bijdr. Huishoudk. 110 [1852].
?— Woord en daad zijn één, men moet het niet bij voornemens laten, maar ze ook ten uitvoer brengen.
Woord en daed zy een, DE BRUNE, Bank. 1, 34 [1657]. harreb. 1, 111 b [1858].
?— God wouds is (was) een goed woord vanouds. Zie ook Dl. V, 225.
SPIEGHEL 299 [1606]. GRUTERUS 1, 106 [1610]. TUINMAN 2, 223 [1727]. HARREB., Zedeleer 33 [1856]. harreb. 1, 243 b [1858].
?— Een zot mensch spreekt soms wel een wijs woord e.d.
Een sot mensche spreect somtijts wel een wys woort. Id est Saepe etiam stultus fuit opportuna locutus, servilius 106 b [1545].
Niemant so slecht oft ongeacht. hy heeft vvel een vvijs vvoord by ghebracht, gheurtz, Adagia 26 b [1552].
Een ghek spreekt wel een wys woord, GRUTERUS 1, 102 [1610]. TUINMAN 1, Nal. 14 [1726]. harreb. 1, 213 b [1858].
?— Een woord eens uit den mond gevlogen, kan niet worden ingetogen e.d.
Het woord eens uyt de mont ghevloghen, en can niet werden inghetoghen, de brune, Spreeckw. 106 [1636].
Het woord, dat ons eens is ontslopen, En kan niet werden in-gheropen, Ald. Een woord, dat eens maer is ghenomt, En keert noyt weer van daer het comt, 108 [1636].
Als 't woord uyt den mond is, gaapt dan tot morgen, 't sal 'er niet weder in komen, Lyste v. Rar. 1, 194 [1706].
?— (Zaanstreek) Een woordje om een oordje, gezegd tegen iemand die weinig zegt.
BOEKENOOGEN, Aanh. [1897].
?— Een woord is geen pijl, opmerkingen kwetsen niet zoo erg als pijlen.
Een woort en is ghien Pijl, Gem. Duytsche Spreckw. (ed. KLOEKE) 23 [1550]. SPIEGHEL 280 [1606]. gruterus 1, 103 [1610].
Bij liev.-coopm. [1875].
?— Een goed woord vindt altijd een goede plaats e.d., met vriendelijkheid en beleefdheid krijg je veel gedaan.
Spreeckw. (ed. KLOEKE) 6 [1549].
Ien goet woort … neemt altijdt ien goe stee, En 't leyt alle oorlogh neer, en 't verweckt ien vreedege vree, w.d. hooft, Styve Piet B 3 r° [1628].
Een Goed woord vint een goede sté: Neemt, waer ghy gaet, het zelve mé, de brune, Spreeckw. 20 [1636].
Jy moest de mynen eens tot jen Man hebben; zei jy boe, hy zou ba antwoorden. Wel, een goed woord vindt een goede plaats, WOLFF en DEKEN, Leev. 4, 37 [1784].
De Herders … gingen … naar H***, en in hope dat een goed woord eene goede plaats zou vinden, spraken zij den dikken Burgemeester aldus aan, EVERTS, Ned. Spreekw. in Alg. Letterl. Maandschr. 6, 346 [1822]. joos, Schatten 148 [1887].
?— Een vriendelijk woord kost geen pond, vriendelijkheid doet veel goed en het kost niets.
Door bescheidenheid, vriendelijkheid en kleine dienstbetooningen zult gij voorzeker de meesten aan u verbinden; en, hoe weinig dit kost, dat wisten onze vaderen …: zij hadden ten spreekwoord: een vriendelijk woord kost geen pond, v.d. hulst, Luim en E. 33 [1823].
Een beleefd woord (of Goeden dag zeggen), kost geen pond, de cock, Spreekw. O. Gebr. 288 [1908].
?— Elk woord is wel een pond zwaar, elke opmerking is veelzeggend, van groote beteekenis en wel overwogen.
Elck woordt is wel een pont swaer, Gem. Duytsche Spreckw. (ed. KLOEKE) 58 [1550].
Yder woort een pont, CATS 1, 301 a [1625]. harreb. 2, 192 a [1861].
Woorden lijk ponden sprak hij, die vele te zeggen en van groot bedied en wel beraan waren, Verz. GEZELLE [voor 1899].
?— Een spreekwoord, een waar woord.
Mag. v. Spreekw. 1, 1 [1802].
Arch. Ned. Taalk. 1, 375 [1847-'48]. roodhuijzen, Levenswijsh. 1 [1860].
?— Een geworpen steen, een geschoten pijl en een gesproken woord zijn niet te herroepen e.d.
cats 1, 581 b [1632].
Een steen gheworpen uyt de hand, Een pijl gheschoten in het land, Een woord ghesproken uyt de mond, Van al ghy gheen her-roepen kondt, de brune, Spreeckw. 329 [1636].
Adagia quædam 22 [1727]. BOGAERT, Toegep. Spreekw. 93 [1852]. harreb. 2, 182 a [1861].
?— Zoo lang de vrouw wascht, heeft de man geen goed woord.
gruterus 2, 169 [1611].
Mergh d. Ned. Spreekw. 2, 45 [1644]. MODDERMAN, Bijdr. Huishoudk. 47 [1852]. harreb. 2, 64 a [1861].
?— Een zot en zijn woord zijn haast gescheiden, die te veel praten, zijn dwaas.
Een sot en sijn woort zijn haest ghescheen. De fol iuge, brieue sentence, GOEDTHALS, Prov. 82 [1568]. GRUTERUS 3, 143 [1612]. harreb. 1, 218 a [1858].
?— Het is een goed woord dat een goed zwijgen verbetert, niets is beter dan zwijgen.
SPIEGHEL 281 [1606]. GRUTERUS 1, 110 [1610]. harreb. 2, 480 b [1861].
?— Hij luistert naar zijn eigen woord als het zwijn dat naar zijn pissen hoort, hij hoort zichzelf graag praten.
Hy luystert naer zijn eyghen woord, Als 't swijn, dat naer zijn pissen hoort, de brune, Spreeckw. 80 [1636].
+2. In sommige contexten verliest woord zijn substantivische bet. van ‘begrensde taaluiting’ en krijgt het den werkwoordelijken inhoud van ‘het spreken’, ‘het praten’ (‘het schrijven’) of van ‘het middel dat den mensch ten dienste staat om zijn gedachten of gevoelens kenbaar te maken: de spraak, de taal’.
?a. In vrij gebr.
Tes cleyn sake een woort soetelijck breken Sij becopent int inde diet anders orboren Want een cleyn goet woort swicht grooten toren, j. v.d. dale 162 [1528].
In het woord heeft de Schepper aan den mensch het hoogste en heerlijkste middel geschonken, waardoor hij zich kan openbaren als de drager van Gods beeld en gelijkenis, als vrije, redelijke en bewuste persoonlijkheid, schaepman, M. en B. 1, 141 [1871].
Ik spreke van uw dagelijksch woord met uw volk, uw dagelijksch woord met uwe vrienden, uw woord in vergadering en gezelschap, verriest, Vl. K. 1, 58 [1901].
?— (Pregn.) De gave des woords, de gave van de welsprekendheid.
De Vries bezat in hooge mate de gave des woords. Zijn gemak van spreken was ongeëvenaard; zelfs onvoorbereid haperde hij nooit, j.w. muller, Verspr. Opst. 121 [1909].
b. In verb., als obj. van een ww.
— Het woord afsnijden. Zie Dl. I, 1471.
?— Het woord doen, spreken in naam of ten behoeve van anderen, het woord voeren, woordvoerder zijn.
Eenen priester die sijnen dienst gaet doen, is als eenen legaet ende Ambassadeur van die ghemeynte, die welcke wordt ghesonden om het woort te doen ende te bidden voor allen het volck, maelcote, Dienst d. Missen 63 [1567].
Alhoewel des Voochts ampt is doorgaens het woordt des Schools te doen, soo sullen nochtans de drie Overheden, Schrijver, ende drie eerste Raeden sulx moghen opleggen aen wien van de Scholieren dat sy 't goedt vinden, op pene van drie guldens, HOOFT, Br. 1, 415 [1613].
Van stuk tot stuk te verklaaren 't geene op zynen persoon te zeggen viel, hadden zy zich niet onderwonden; dewyl d' ongeregeltheit, kommer, misnoegen, ende bystere gesteltenis des Landts, daar inne 't woordt voor hun deeden, ende duydtlyk genoegh uitdrukten, hoe luttel het gemeene beste met zyne jeegenwoordigheit, aanzien en gezagh beholpen was, hooft, N.H. 43 [ed. 1642].
Dat is verwonderenswaerdigh, dat sij benevens haer oock haeren pensionaris, dat haren dienaer is, oock voor een heer in de commissie stellen. Sij meenen mogelijck, om dat sij haer niet bequaem en vinden het woort te doen, dat het soo weesen moet, in B.H.G. 18, 453 [c. 1672].
Dese weeskinderen van Lyden, waar van een het woort gedaan heeft en nam de vryheydt, om Syn Hoogheyds koest (lees: koets) te doen stil staan, in Leidsch Jaarb. 11, 67 [1747].
Dat by iedere groote gelegenheid niemand anders dan van der Palm werd aangewezen om het woord te doen, beets, Lev. v. V.d. Palm 104 [1842].
?— Zijn woord (goed) doen, (goed) praten; (goed) voor zijn belangen opkomen. Zie Dl. III, 2714 en nog de volg. aanh.
Zyn woord wel doen, To express himself well, to deliver his speech or message handsomly, SEWEL [1766]. keyser [1951].
— ”Nou, ga dan mee,” zei de jongen, ”as je dat niet heb gezien, heb je ook niks gezien; ik mot me woord goed doen bij de klanten, heift de baas gezeid en ik zà je wel weêr an de deur afzetten”, v. looy, Jaapje 222 [ed. 1917].
?— Iem. het woord geven, hem de gelegenheid geven te spreken, m.n. tijdens een officieele bijeenkomst.
De Koning … wendde zigh tot de vergaadering, met wensch om de goede geneegenh