Etymologie, Étymologie, Etymology, Etymologie
NL Niederlande, les Pays-Bas, The Netherlands, Koninkrijk der Nederlanden
Wörterverzeichnisse, Vocabulaires, Lists of words
A
B
C
D
E
etymologie
Etymologisch Woordenboek van het Nederlands
(E1)(L1) http://www.etymologie.nl/
Leider ist der Zugang nur per Abonnement möglich. Eine Woche gibt es Gratis-Registrierung zum Kennenlernen ist möglich.
Naast deze webeditie is het Woordenboek ook verkrijgbaar in een gebonden uitgave, verkrijgbaar via de boekhandel. U kunt deze ook on-line bestellen.
Welkom op de webversie van het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands. Naast deze webeditie is het Woordenboek ook verkrijgbaar in een gebonden uitgave, verkrijgbaar via de boekhandel. U kunt deze ook on-line bestellen.
De uitgave van het Etymologisch Woordenboek is nog niet compleet. De gebonden uitgave zal uiteindelijk uit vier delen bestaan. Het laatste en vierde deel zal eind 2009 verschijnen. De inhoud van de webeditie wordt regelmatig geactualiseerd en verschilt dus van de gebonden uitgave.
Op deze site kunt u direct naar Nederlandse woorden zoeken via het invulvakje linksboven. Voor een uitgebreide gebruiksaanwijzing zie de knop Help.
Deze webeditie is alleen toegankelijk voor licentiehouders.
Deze webeditie is het best te bekijken met een browser van de vierde generatie of later, zoals bijvoorbeeld internet explorer versie 4 en hoger.
Laatst bijgewerkt op 26 november 2007
F
G
H
I
inl
Woordenboek der Nederlandsche Taal - WNT
(E?)(L?) http://wnt.inl.nl/
(E1)(L1) http://gtb.inl.nl/?owner=WNT
Nach einer kostenlosen Registrierung kann man auf das "Wörterbuch der niederländischen Sprache" zugreifen.
Die Suche erfolgt in den Wörterbüchern:
- ONW - Oudnederlands Woordenboek
- VMNW - Vroegmiddelnederlands Woordenboek
- MNW - Middelnederlandsch Woordenboek
- WNT - Woordenboek der Nederlandsche Taal
Deze onlineversie van het Woordenboek der Nederlandsche Taal is het eerste onderdeel van het GTB project 'Historische woordenboeken van het Nederlands online'.
Binnen dit project van de afdeling Taalbank van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie (www.inl.nl) worden de wetenschappelijke woordenboeken van het oudere Nederlands zowel individueel als gecombineerd bevraagbaar gemaakt.
Het WNT online wordt via de Nederlandse Taalunie gefinancierd door het Ministerie van OCW en het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
De betekenis van een woord als korjaal, samenstellingen met bier en met water, citaten uit het werk van Vondel en Jan Cremer, het is allemaal te vinden in deze onlineversie van het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT).
Het Instituut voor Nederlandse Lexicologie wil hiermee aan iedereen een gemakkelijke toegang bieden tot de beschikbare informatie over een groot deel van de Nederlandse woordenschat van de zestiende tot en met de twintigste eeuw.
Of u nu op zoek bent naar een bepaalde zegswijze, de datering van een woord of naar woorden met een gemeenschappelijk betekeniselement, als het erin staat, kunt u ze vinden in het Woordenboek der Nederlandsche Taal online.
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
Woord (W3)
Leider verstehe ich zu wenig Niederländisch, um aus folgendem Woord-Artikel die Quintessenz ziehen zu können.
Jedenfalls hängt ndl. "woord" = "Wort" zusammen mit engl. "word" und dt. "Wort" und damit mit lat. "verbum" und ide. "*wer" = "sagen". Das "Wort" und "Woord" ist also wörtlich "das Gesagte".
(E?)(L?) http://gtb.inl.nl/iWDB/search?actie=article&wdb=WNT&id=M087160&lemmodern=woord
Woordsoort: znw.(o.,m.)
Modern lemma: woord
znw. onz. (soms ook m.), mv. -en (in de oost. dialecten wordt het mv. ook gevormd met behulp van umlaut: weurd, woeëd e.d.). Mnl. wort, woert, woord. Van een idg. wortel *[uibreveb]er- (die in gr. e???, ??t?? en ??µa aanwezig is) met een stamvormend element -dh-, en wel van den nultrap *[uibreveb]?dh- (waarvan ook lat. verbum, met idg. dh > lat. b).
- I) Als collectivum.
- A) In het alg. Niet gespecificeerde mondelinge (minder vaak: schriftelijke) taaluiting die uit meerdere woorden (II, A, 26) bestaat en een zekeren begripsmatigen samenhang bezit; wat gezegd (of geschreven) is.
- I) In het enk.
- 1. Begrensde mededeeling, korte opmerking, uiteenzetting of meeningsuiting, al dan niet als deel van een gesprek (of geschrift).
- In de vaste verb. is niet altijd duidelijk uit te maken met welke bet. van woord men te doen heeft; bij het onderbrengen van deze verb. onder een bep. bet. is derhalve van een zekere willekeur sprake.
- a. In vrij gebr.
- Den naem deser landouwen … Was nae onser talen genoempt den tijt Hoe wel hij lanc ende breet is ghescitueert Nochtans seer haest is hy ghepasseert … Daer vernam ic om corten mijn woerdt Dat den tijt op een cort gaet zeer voerdt, pertcheval, Camp v.d. doot b v r° a [1503].
- Dat dvvord tot gheenen stand en can gheraken Ontreckt ghy haer het voedsel in u dicht, de castelein, Const v. Rhetor. 31 [1548].
- Ik (had) nogtans al te veel voorsigtigheid, en eerbiedigheid voor den Marquies … om het geringste woord daar van (t.w. van het overspel van de markiezin) te kennen te geven, heinsius, Verm. Avant. 1, 119 [1695].
- Tirannen kunnen ligt een ydele uitvlucht vinden: Maar altyd strydt hun woord met 't geen zy onderwinden, LANGENDIJK 2, 31 [c. 1720].
- Zy hoort hier een woord, en zy vangt daar een woord, en zy merkt hier wat op, en zy ziet daar zo wat van; dan gaat zy heen …, en klutst dit alles in haar harssenvat tot hakmoes, WOLFF en DEKEN, Leev. 2, 26 [1784].
- Nu nog een woord over de kleeding zelve: bij de Vriesche kleeding, wil men het Nationale daarvan geheel overnemen, behoort eene soort van lang jak, Br. v. twee Amst. Dames 12 [1832].
- P. S. Hiernevens een woordeke, hoe eer hoe liever te zenden. Lees het s.v.p. en, zoo gij meent dat ik de correctie, zonder vrees voor zinstorende feilen, aan Kruyt kan overlaten, wil het dan in het eerstvolgende no. opnemen, GROEN in Briefw. Groen v. Pr.-Kuyper 329 [1874].
- — Genoemd tgov. werk en daad.
- Wacht u, uw faem, met schande, te besmetten. Ontstight geen mensch met werreck oft met woordt, hooft, Ged. 1, 175 [c. 1620].
- Dit 's Hoogvliet, kloek van geest, oprecht van woort en handel, spex 244 [1755].
- b. In verb., als obj. van een ww.
- — Zijn woord eten, het gezegde inslikken, niet uitvoeren. Gewest.
- Hij moet zijn woord opeten (of: weder inslikken), harreb. 2, 481 a [1861].
- Het was te zien of de bazen uit den Koekoek en het Heikneuterken, die verklaard hadden, dat het polissen zou gedaan zijn, of de duivel zou de kaars halen, hun woord niet zouden eten? segers, Wonderd. 15 [1913].
- — Iem. het woord uit den mond nemen, datgene zeggen wat hij juist op het punt stond te zeggen. Zie ook Dl. IX, 1060.
- SEWEL [1766].
- — Ja ik kan ook wel wat uit de Schrift, al pronk ik er zo niet meê als zekere vrouwen, die de leeraars dikwijls het woord uit den mond neemen, en het gras voor de voeten wegmaajen, wolff en deken, Wildsch. 3, 73 [1793].
- ”Je meent natuurlijk Hektor?” zegt hier iemand terstond: ”Mijnheer, U neemt my het woord uit den mond!” Schoolm. 206 [voor 1858].
- — Een woord aan iem. hebben, iets aan iem. te zeggen hebben.
- schuerm. [1865-1870].
- — Woord en wederwoord hebben, gezamenlijk mondeling overleggen.
- Een bequame ende vruntlike tsamensprekinghe waer meer van node in daden ende tractaten der comenscappen dan een brief ofte epistele om mit malcander woert ende wederwoerden te hebben ende alsdan daerinne te concluderen ofte sluyten, want het es een ghemeen woert, dat wairdigher ende bequamer is die levendighe stemme dan de letter is, R.G.P. 14, 239 [1505].
- — Een woord spreken, iets zeggen.
- Int himmen hoesten ofte spreken een woert Daer bi de campioen mocht worden gestoert, pertcheval, Camp v.d. doot f ij r° [1503].
- Mynheer Smet, als het u belieft, mag ik eens een woordeken spreken? Neem het niet kwalyk, dat ik zoo stout ben, consc., Geluk 77 [1855].
- Iemands woord spreken. Zie Dl. XIV, 3024.
- Iem. een woordje spreken, een oogenblik met iem. spreken, even een praatje met iem. maken.
- Princes, ick bid, jou iens ande deur verstout, Ick hadje garen ien woortje ghesproken, biestkens, Cl. Kloet G 2 r° [161.].
- Maar, mag Ik jou wel eens een woordje spreeken? elias, Ontv. Vr. 20 [1688].
- Den 17 December quam van Batavia, de Borger M.A., hier woonachtig, en maar een oog hebbende; die veel nieuws van daar mede bragt, ook veel menschen aan zyn huys lokte, en onder anderen … twee Lieden …, die ook maar een oog hadden, by welke drie een-oogigen … nog een soldaat van Boero quam, die mede maar een oog had, en verzogt dezen M.A. een woordje tusschen vier oogen te spreken, valentijn, O.-I. II, 2, 275 a [1724].
- Ei lieve Neef, zou ik je wel een woordje alleen mogen spreken? — Zo, Tante, (zei ik,) dat beduidt niet veel goeds, WOLFF en DEKEN, Leev. 5, 204 [1785].
- Een hartig woord(je) spreken, zeggen, eens flink en onomwonden zijn meening geven.
- Casimir Périer's staatkunde is vredelievend, maar het zijn en blijven Franschen, en hun toon zal ondragelijk worden zoo … Engeland door binnenlandsche verdeeldheid belet wordt een hartig woord naar buiten te spreken, falck, Br. 318 [1831].
- Ze kon den man van haar lieve Bet niet zoo maar hooren uitschelden, zonder er een hartig woordtjen van te zeggen, schimmel, B. v. Omm. 2, 9 [1870].
- Een woordje in het vlij spreken, een paar woorden spreken om twee partijen met elkaar te verzoenen.
- Neemt me tas seg ic met gelt met al, over acht dagen koom ic je weer by En haelt de rest weerom, maer spreeckt een woortgien int vly, coster 59 [1612].
- Een vrij woord spreken, vrijuit praten.
- Ik ging met de sloof in myn Tuinhuis zitten; dan, dagt ik, kan men een vry woord spreeken, WOLFF en DEKEN, Leev. 6, 5 [1785].
- — Zijn woord waar doen, zijn woord met getuigenissen bevestigen, de waarheid van wat men gezegd heeft met daden, werken bewijzen.
- Christus, niet teghenstaende soo veel schoone ende groote mirakelen, haddet noch quaedt ghenoech, midts de archeydt der Joden, altijdt noch nieuwe teeckenen versoeckende, wilde hy sijn woordt waer doen, ende snede gheuen, david, Doolh. 79 [1605].
- De Heere waer-makende dat vant Euangelium, Hemel ende aerde sullen vergaen: maer mijn woorden en sullen niet vergaen, heeft dat woort dat hy tot sijn uytvercoren ghedaen hadde met dusdanige getuyghenisse beuesticht, de wit, Lev. v. S. Geertr. 2, 44 [1607].
- — Een woord(je) wisselen (over), met elkaar praten (over).
- Vóór men met onze Vriendin de Rede daar nog een enkeld woordje over wisselde, wolff en deken, Blank. 1, 151 [1787].
- Onnoodig toch, dat gy weigeret met my, als gezel, een woordje over de zaek te wisselen, consc., J. v. Artev. 2, 149 [1849].
- Zij kon ook wel bij gelegenheid een woord over weer en wind met een onverschillige of een voorbijganger wisselen, loveling, D.E. 29 [1891].
- — Iem. een woordje zeggen, iemand wat zeggen, even met iemand praten.
- Ik heb u een woordtjen te zeggen, lief kind! Maar moet u in 't heimelijk spreken, BILD. 1, 92 [1794].
- 'k Zou u geern een woordeke zeggen, boer, stijn streuvels, Minneh. 2, 63 [1903].
- — Een woord(je) zeggen van (over), een (korte) uiteenzetting geven over, (kort) iets mededeelen over.
- Goetwillighen Leser ghy hebt hier … de vermaninghen vanden H. Abt Dorotheus, van den welcken ick u lieden een woordeken sal segghen, om den selven Autheur ende sijn boecxken meer kennelijck te maecken, knibbe, Gheest. Leer. e ij v° [1639].
- Om ten slotte nog een woord te zeggen over het verschil aangaande het gebruik der ij of y, brill, Holl. Spraakl. 118 [1846].
- Het verschijnen van dezen bundel dunkt mij een gelegenheid om over den auteur Netscher in 't algemeen, den kritikus en den kunstenaar, een woordtjen te zeggen, V. DEYSSEL, Verz. Opst. 1, 37 [1886].
- — Zijn woordje zeggen over, zijn meening geven over.
- Wel zou ik over 't Staatsbestuur Mijn woordje zeggen willen, de cort, Lied. 28 [1868].
- c. In verb., als subject van een ww.
- — Het eene woord haalt het andere uit e.d. 1°. Bij een ruzie: de een maakt een ruzieachtige opmerking, een ander reageert daar weer op, waarop de eerste weer het woord neemt enz.
- Dat een woort brenghet dander in. Lis litem ferit, servilius 182 a [1545].
- Dit ziende ende hoorende de Vlamijnghen …, dat zij (t.w. eenige dronken Walen) zulc overlast voor haer ooghen bedreven, zijn een partije uutghecommen, ooc met haer gheweere, ende deen woort bracht dander inne. Zoo dat zij werden vechtende, v. vaernewijck, Ber. T. 2, 217 [1567].
- 't Eene woord loktet ander uyt, spieghel 279 [1606].
- Hoor Ceely, wy moesten malkaar hier zo niet bejegenen. Wy spreeken onder ons; het eene woord haalt het aâr uit. Jy bent immers ook zoo zuiver niet, de rijk, Besteedster 27 [1692].
- Hy is somwyl wat raar; en ik kan ook altyd niet zwygen; en het eene woord haalt het ander uit; maar wy zyn toch regt wel met malkaar, want het is een braaf Man, WOLFF en DEKEN, Leev. 4, 332 [1784].
- Nou, 't eene woord haalt 't andere uit en toe de scheerdersvrouw d'r voor de derde keer met d'r haring in d'r gezicht slaat, neemt me vrouw haar visschie en geeft d'r de scheerdersvrouw een lik mee op d'r wang, abramsz, Lev. Beelden 121 [1909].
- 2°. Bij een gesprek resp. bij het spreken of schrijven: het gezegde geeft den ander aanleiding tot reageeren, resp. men associeert voortdurend door op wat men zelf gezegd heeft.
- Dat is de reden, dat ik u zo een langen Brief schryf; want het hart wil een klaager hebben; en het eene woord haalt het andere uit, WOLFF en DEKEN, Leev. 6, 129 [1785].
- Verschoon mij dat ik u zo een langen brief schreef, maar het ééne woord brengt het andere voort, wolff en deken, Wildsch. 1, 299 [1793].
- Zoo doende komt men toch, hoe langer hoe nader bij de waarheid: zoo haalt het eene woord het ander uit, (gelijk men zegt) zoo behartigt men het audi & alteram partem [hoor en weder hoor], Janus verrezen 1, 311 [1795].
- Ik had gewandeld en rustte wat uit, toen de man met een vriendelijk: ”'t Zal meneer toch niet gêneeren” naast mij plaats nam. Het banale ”Lief weertje, meneer” volgde; 't eene woord lokte 't andere uit, en 't duurde niet lang of ik wist, dat mijn buurman een reeks van jaren als knecht in een tapperij had gediend, v. maurik, V. all. Sl.? 121 [1881].
- — Het woord lag juist op mijn tong, ik wilde het net zeggen.
- JOOS [1900-1904]. TEIRL. [1922]. corn., Bijv. [1938].
- — Het woord moet eruit, datgene wat men bijna niet durft zeggen (datgene waar het om te doen was), moet gezegd worden; de bekentenis moet worden afgelegd. Zie ook onder e).
- Men kan veele Raadsheeren vinden, maar Staatsmannen — maar — 't woord moet er uit — maar Beijma's zijn dun gezaaid, in B.H.G. 28, 222 [1783].
- ”Haar kinderen!” herhaalde Flinck: ”had zij er dan meer dan een?” ”Zij zou er twee gehad hebben,” zeide Juffw. Hermans, ”indien uw … ja! 't woord moet er uit … uw onbarmhartigheid jegens de moeder het leven niet gekost had aan het meisje, dat zij onder 't hart droeg”, v. lennep, K. Zev. 5, 137 [1865].
- — Het woord was nog niet koud, of …, het woord was nog maar nauwelijks uitgesproken, of …
- JOOS [1900-1904]. CORN.-VERVL. [1903]. TEIRL. [1922].
- d. In verb., als deel van een voorz.-bep. of van een voorz.-voorw.
- — Iem. bij het woord houden, nemen, zijn woorden letterlijk nemen en inhaken op een uitspraak die werd gedaan zonder dat de spreker er rekening mee hield dat hij serieus werd genomen.
- Hij houdt zijn bestrijder (in de ”Bibliothèque Impartiale”) bij 't woord. Die criticus had gezegd: neem de menschen zooals ze zijn, niet zooals uw verbeelding ze gaarne wilde hebben. Welnu, hij zal de menschen nemen zooals zij zijn, en wel in de primitiefste toestanden, quack, Soc. 1, 250 [1875].
- Zij zouden de negentiende eeuw bij 't woord nemen, als deze tot leus van al haar streven stelde: ”het grootst mogelijk geluk voor het grootst mogelijk aantal menschen.” Zij zouden de arbeiders leeren zich zelven te tellen, 1, 461 [1875].
- ”Dan moet U van den Broek maar gauw naar Batavia overplaatsen.” ”Drommels mevrouwtje, dat noem ik iemand bij zijn woord nemen. Maar,” en zijn gezicht werd bedenkelijk, ”er zijn zooveel liefhebbers”, daum, Raad v. I. 36 [1888].
- — Iem. bij zijn woord pakken, iem. in het bijzijn van getuigen op lastertaal betrappen en hem voor het gerecht dagen.
- TEIRL. [1922].
- — De daad bij het woord voegen, een geuit voornemen direct ten uitvoer brengen.
- In 't laatste gedeelte van het gedicht klimt zijn geestdrift, en hij voegt bijna de daad bij 't woord, als hij uitroept: ”Ik spuw mijn vloek U toe, met saamvergaârde krachten, Bij 't geven van mijn jongsten snik”, v. maurik, V. all. Sl.? 114 [1881].
- — (Gron.) Met een woord van waarheid betuigen dat …, de verzekering geven dat …
- MOLEMA (hs.) [1895].
- — Iem. op zijn woord vatten, zijn woorden letterlijk nemen en inhaken op een uitspraak die werd gedaan zonder dat de spreker er rekening mee hield dat hij serieus werd genomen.
- Mijn hart wil volstrekt dat mijne pen, u, hoewel ik u voor de eerstemaal schrijve, dus noeme; en dewijl gij onze vriendschap wel wilt vernieuwen, zie ik niets onredelijks in deezen wil: ik heb u op uw woord gevat, wolff en deken, Wildsch. 2, 260 [1793].
- Ik greep hem in drift aan, en beloofde hem, zoo hij zich daardoor beleedigd achtte, satisfactie te zullen geven. — Hij vatte mij op mijn woord …, en over weinige uren … zal onze zamenkomst in het Bois de Boulogne plaats hebben, loosjes, Bronkh. 5, 107 [1807].
- e. In verb. met een bnw. of een nabep.
- — Een gevleugeld woord, een treffend, min of meer spreukachtig gezegde, inz. ontleend aan litteraire werken, dat om zijn beeldende kracht door ieder wordt overgenomen. Zie ook Dl. IV, 1951.
- Het is heel iets anders in een vage abstractheid de beteekenis van zoo'n gevleugeld woord aan te duiden, of het in de volle situatie van het levend moment na te voelen en te verstaan, V. GINNEKEN in N.Tg. 3, 90 [1909].
- — Een goed woord, een paar vriendelijke woorden.
- Een cleyn goet woort swicht grooten toren, j. v.d. dale 162 [1528].
- Die saechtmoedicheyt versoet … Veel raseryen, met een cleyn goet woort, Div. Ref. e. Lied. 33 [1574].
- Een goed woord(je) voor iem. doen, zijn belangen (bij iem.) verdedigen, zijn voorspraak (bij iem.) zijn, hem in iemands gunst aanbevelen, hem (bij iem.) verdedigen.
- Och weest ghy (t.w. ”Liefde”) mijnen gesandt, och doet voor my een goet woort: op dat mijnen Jesus … oock door v my snoode wormken gheue een suyver herte, de wit, Lev. v. S. Geertr. 2, 304 [1607].
- ”Ja, 't is jammer, dat je na den eten komt,” hernam Filip, ”maar zieje, als ik een goed woord aan Stijntje de keukenmeid doe, zou ik je nog altijd wel wat kunnen bezorgen”, v. lennep, K. Zev. 3, 5 [1865].
- Vooral wendde hij zich tot Mevrouw V. L. … en smeekte haar een goed woord voor hem en de zijnen te doen, sleeckx 12, 68 [1867].
- Ik deed dit op raad van een vriend van mij, een neef van den Commissaris, die vooraf bij zijn oom een goed woordje voor mij had gedaan, batelt, Duister Amst. 11 [1911].
- Ook: een goed woordje voor iem. spreken.
- Meermaal bad ik mijn' vader of broêr, om een goed woordje voor mij te spreeken, wolff en deken, Wildsch. 5, 250 [1796].
- Ook: een goed woord verzoeken.
- En mijn oppasser heeft zelfs den ploert al Een goed woord voor een draagplaats verzocht, Als soms mijnheers begraafnis Te Leiden plaats hebben mocht, haverschmidt, Sn. en Gr. 15 [1850-'52].
- Pregnant ook: een woord voor iemand doen.
- ”Zoudt gij niet een woord voor mij kunnen doen?” vroeg hij. De visscher haalde de schouders op: ”Gij begrijpt, dat ik niet voor u kan vrijen,” antwoordde hij, sleeckx 8, 382 [1863].
- Een goed woord geven, vriendelijk toespreken.
- Je Moeder was ook over alles mal met je, en ik was evenwel haar Man. Ik kon niet dulden, dat zy iemand buiten my een goed woord gaf, WOLFF en DEKEN, Leev. 6, 285 [1785].
- Daarop hielp de Paus, welke in die soort van dingen, als de koningen hem slechts een goed woord gaven, nog al te vinden was, hem aan een' scheidbrief, en Lodewyk trouwde aanstonds de weduwe van zijn' voorganger, Karel VIII, fokke, B.R. 3, 285 [1805].
- Geen goed woord voor iem. over hebben, zeer verbolgen zijn over iem.
- Zij had voor geen van allen een goed woord over, couperus, E. Vere 2, 179 [1889].
- Een goed woord spreken. 1°. Bidden.
- Terwijl ik dan besig was, om een goed woord te spreken, en te bidden, sprong dit dier … op de stoel, heinsius, Verm. Avant. 1, 129 [1695].
- Tartuffe zou een goed woord spreken, maar de Vent badt, (zo noemen zy dat gehuilebalk,) wel een kwartier lang, wolff en deken, Burg. 36 [1782].
- Des avonds kon ik ten minste met de mijnen nog een goed woord spreeken, aan tafel, en van hem leeren, wolff en deken, Wildsch. 6, 66 [1796].
- 2°. Een vriendelijk woord spreken.
- En ik was altoos bang van dat oesteragtig leven. Ik moet gaan, ik moet komen, ik moet hier eens een goed woord spreeken, ik moet daar eens een gift uitdeelen, wolff en deken, Blank. 1, 100 [1787].
- — Het groote woord.
- 1°. Ongepastheid, beleediging.
- Ick lande in 't lest, en vraegh, in 't treden over boordt Naer u. Elck sweegh. Mij was dat swijgen 't groote woordt. Ick … laet niet af te quellen … mijn volck, tot dat sij mij vertellen 'T verraedt van Priams soon, hooft, Ged. 1, 141 [1615].
- 2°. Ernstige, gewichtige woorden.
- Gesellen, die des avonts vrijt, En dickmael wonder jachtigh zijt, En vaert niet in der haesten voort, En spreeckt niet haest het groote woort, En geeft voor al uw trouwtjen niet, Tot ghy het lief by dage siet, cats 1, 495 a [1632].
- Het groote woord moet eruit e.d., datgene wat men bijna niet durft zeggen (datgene waar het om te doen was), moet gezegd worden; de bekentenis moet worden afgelegd. Zie ook onder c).
- Doen isser 't groote woort dusdanigh uyt ghekomen: Ick hadt, o mannen! hoort, grootmoedigh voorghenomen Te sterven, eer ick u souw wysen geldt of goedt, bredero 2, 27 [1615].
- 't Is Warnar, (hier hebjet) zijn dochter sal bevallen wesen, Hoe sal ick het in desen best stellen aen? Sel ick vertrecken? of blyven, of by heur gaen? Wat zoudt passen dat ick hem hier liet staen karmen, 't Groote woordt moeter uyt, hooft, Ged. 2, 317 [1616].
- Als sy begint, soo blijft haer reden steken. Doch naer een lang gedrael, soo komt 'er tot besluyt, Soo komt 'er 't groote woort ten langen leste uyt, cats 2, 72 b [1635].
- — Ergens een groot woord van hebben, ergens hoog van opgeven.
- Ze had er groot woord van: zij gaf er hoog van op, aant. v. A. BEETS [Gron., c. 1900].
- Een groot woord hebben, bluffen, grootspreken. Gewest. in Vl.-België.
- E groot woord hebben, veel praat hebben, bluffen, grootspreken, CORN.-VERVL. [1903].
- — Hij héet e groot woord, Ald.
- — Een hartig woord, een pittige, ongezouten, openhartige meening.
- Omdat ik … eenige ruimte zal moeten openhouden voor een hartig woord over historische romans in het algemeen, busken huet, Br. a. Potg. 1, 68 [1864].
- — Het hooge woord moet eruit e.d., hetz. als het groote woord moet eruit. Zie ook onder c).
- 't Hoog woord quammer op 't lest uyt: sy nam an Dat sy mijn wijf wesen sou, en ick haer wettelijcke trouwde man: Daer gaf sy my de hand op, starter, Dar. B 3 v° [1618].
- Moet 'er het hooge woord uit? hoor, ik heb ziekte onder mijn klieren, noozeman, Bedr. Dronkk. A 7 r° [1648].
- — Het hoogste (hooge) woord voeren, hebben e.d., druk en zelfingenomen spreken.
- BINNART [1654].
- — Daer ellick voert het hooghste woort, Daer niemandt doet als hy behoort, Daer moet het al ten quade strecken, bredero 3, 365 [161.].
- De cloeckste vande Vrouwen 'Thooge woordt te laten houwen Dat en raeckte noyt jn myn, Zou en man de minste zyn By het ribb-stick van sen lenden? huygens, Ged. 1, 177 [1620].
- Zoo zal een vreemdeling, een worm, het hooghste woort Hier boven voeren … de mensch een' zetel stichten, Zoo verre boven Godt? (Lucifer spreekt), VONDEL 6, 238 [1654].
- Die de meeste snap hebben, en het hoogste woord voeren, zijn gemeenlick de holste herssen-beckens en erbarmelickste zielen, de brune, Bank. 1, 187 [1657].
- 'K ben overal gewoon het hoogste woord te voeren, En al wie beter weet kort of den mond te snoeren. De schaamte quelt my niet, v. effen, Spect. 8, 230 [1734].
- Ik wed, om al wat gy wilt, dat uw Zoon denkt, wel heel ordentelyk te zyn, als hy een beleefde buiging maakt, zonder hoed aan tafel komt, nooit het hoogste woord voert, beleefd presenteert, lekker voorsnyd, schoon linnen aan heeft, en ouder lieden nooit tegenspreekt, wolff en deken, Blank. 1, 92 [1787].
- — Een kwaad woord geven, boos toespreken, onvriendelijk bejegenen.
- Noyt en gauic sprac dander hoe seer ghestoort. In iemants presencie mijnen man quaet woort, j. v.d. dale 162 [1528].
- Hij had ondertusschen deze spirale schoonheid, zoo lang haar broeder Karel de VIIIste leefde, geen kwaad woord durven geven, fokke, B.R. 3, 284 [1805].
- — Het laatste woord, het laatste wat iemand vóór zijn dood zegt.
- Elck sprack het leste woord, En daer was geen verhooren, De Mast lagh over boord, En 't roer was langh verloren, huygens 2, 99 [1649].
- — Altijd het laatste woord willen hebben e.d., altijd als laatste nog een opmerking willen maken, zijn meening willen geven.
- Hy wil tleste woort altoes hebben, Gem. Duytsche Spreckw. (ed. KLOEKE) 73 [1550].
- De quade wyven …, die als zy met hare goede mannen in woorden geraakt zijn, en al lang genoeg gesmaad en gescholden hebben, nog op 't leste zeggen, ik mag swijgen, ik sal u het leste woord laten, daar moet dog iemand de leste wesen, PASSCHIER DE FYNE, Tract. 188 [1642].
- Je weet, lieve Tante, hoe de mans zyn! altyd willen zy het laatste woord voeren, WOLFF en DEKEN, Leev. 1, 270 [1784].
- Men weet het, zoo haest het op snaeuwen en twisten uitkomt is de man een onmagtig kind in vergelyking der vrouw; hy maekt zich eenige kannen zwart bloed, slaet wat op de tafel en byt wat op zyne tanden; maer heeft hy ooit het laetste woord gehad? consc., Siska v. R. 95 [1844].
- De vrouwen willen altijd het laatste woord hebben, harreb. 2, 419 a [1861].
- — Dit is mijn laatste woord, meer zeg ik er niet over, ik blijf bij wat ik zooëven heb gezegd.
- Ik bedank u voor de eer, maer myn laetste woord is: neen, consc., Plaeg d. D. 154 [1855].
- Dat is mijn laatste woord, harreb. 2, 479 b [1861].
- — Een oneffen woord, een ruwe, ruzieachtige, booze taal. Zie ook Dl. X, 1559 en nog de volg. aanh.
- Een oneffen woort wort van haer (t.w. kwaadsprekers) sevenvout Met clinckenden alloy opt spoedichste betalet, revius, Over-yss. S. 53 [1630].
- O Droevigh ongeluck! dat my is overkomen, Wanneer ick desen mensch sijn leven heb ontnomen! Hy light, siet, van mijn hant om een oneffen woordt, Doorsteken met 't rapier, en in sijn bloet versmoort! lijftocht, Voor-Winckel 63 [1679].
- Na in de trouw geleeft te hebben met haeren overleden Man den tyd van 17. jaeren in eene volmaekte liefde sonder by na het minste on-effen woord gehad, onraet, Lev. v. Fr. Taffin 42 [1721].
- Nooit een oneffen woord hebben met iem., altijd in de beste verstandhouding en vriendschap met hem zijn.
- rutten [1890].
- — Een waar woord spreken. Zie Dl. XXIV, 137.
- — Er is geen waar woord aan, er is niets van aan, het zijn allemaal leugens.
- Hy quam … by zyn Ed:, en verzekerde hem, dat de OrangKaja's voor 4 dagen den Matakau gedronken hadden, om al de nagelen aan ons alleen te leveren. Schoon 'er geen een waar woord aan was, valentijn, O.-I. II, 2, 126 a [1724].
- f. Gevolgd door een substantivisch attribuut.
- — Een woord van advies enz., woorden waarmee men advies enz. geeft.
- Sententia … Sentence. Opinion & auis. Fantasie. Vn mot de bon enseignement. Sentencie. Meyninghe ende auijs. Fantosie. Een woort van goede onderwijsinghe ende leeringhen, Dict. Tetragl. 278 b [1562].
- De Prins van Waldec versocht mij daegs te voren hem somtijts een woordt van advis te willen schrijven, C. HUYGENS Jr., Journ. 1, 1 [1688].
- Zijn laatste brief aan mij was een woord van deelneming bij den dood van mijn vader zooals hij dat kon geven, bosb.-touss., Br. a. Potg. 115 [1860].
- Ook daar, waar zij amendementen ontmoetten, welke hunne goedkeuring wegdroegen, wilden zij de voorstellers wel een woordje van sympathie en ondersteuning toespreken, buys, Stud. 1, 487 [1872].
- — (Gallic.) Een woord van, een korte opmerking over.
- Nu een woord van de plotselinge neerlandschgezindheid des heeren Rogier, VUYLSTEKE, Prozaschr. 1, 13 [1861].
- g. In verb. met een bez. vnw. of gevolgd door een gen.-bep. ingeleid door van.
- — Mijn woord, wat ik zeg, wat ik naar voren breng.
- Ik weet dat gy hier verschynt met het vast besluit, naer geene voorstellen van overeenkomst of verdrag te luisteren; ik weet ook dat myn woord onmagtig is op uw gemoed, consc., J. v. Artev. 3, 115 [1849].
- De jongeling wachtte met neêrgeslagen blik op zyns vaders woord. Na eene wyl vroeg de grysaerd: ”Alzoo, in uwen droom woonde Clara ten onzent? — Als dienstmeid?” consc., Plaeg d. D. 26 [1855].
- — Het woord van (x), wat (x) zegt, naar voren brengt.
- Overigens stemde hij met heer Jacob van der Does in, ook wat het woord van Matenesse betrof, die zich eens, bij het breken van zijn heimelijke trouw aan de dochter van Van Vliet, beroepen had op de kerkvergadering van Trente, fruin, Geschr. 2, 430 [1874].
- h. In zegsw. en spreekw.
- — Wiens brood men eet, diens woord men spreekt, men staat aan de zijde van dengene van wien men voor zijn levensonderhoud afhankelijk is, men deelt en verdedigt zijn opvattingen.
- tuinman 1, 8 [1726].
- Sancho-Pança 34 [1850]. modderman, Bijdr. Huishoudk. 110 [1852].
- — Woord en daad zijn één, men moet het niet bij voornemens laten, maar ze ook ten uitvoer brengen.
- Woord en daed zy een, DE BRUNE, Bank. 1, 34 [1657]. harreb. 1, 111 b [1858].
- — God wouds is (was) een goed woord vanouds. Zie ook Dl. V, 225.
- SPIEGHEL 299 [1606]. GRUTERUS 1, 106 [1610]. TUINMAN 2, 223 [1727]. HARREB., Zedeleer 33 [1856]. harreb. 1, 243 b [1858].
- — Een zot mensch spreekt soms wel een wijs woord e.d.
- Een sot mensche spreect somtijts wel een wys woort. Id est Saepe etiam stultus fuit opportuna locutus, servilius 106 b [1545].
- Niemant so slecht oft ongeacht. hy heeft vvel een vvijs vvoord by ghebracht, gheurtz, Adagia 26 b [1552].
- Een ghek spreekt wel een wys woord, GRUTERUS 1, 102 [1610]. TUINMAN 1, Nal. 14 [1726]. harreb. 1, 213 b [1858].
- — Een woord eens uit den mond gevlogen, kan niet worden ingetogen e.d.
- Het woord eens uyt de mont ghevloghen, en can niet werden inghetoghen, de brune, Spreeckw. 106 [1636].
- Het woord, dat ons eens is ontslopen, En kan niet werden in-gheropen, Ald. Een woord, dat eens maer is ghenomt, En keert noyt weer van daer het comt, 108 [1636].
- Als 't woord uyt den mond is, gaapt dan tot morgen, 't sal 'er niet weder in komen, Lyste v. Rar. 1, 194 [1706].
- — (Zaanstreek) Een woordje om een oordje, gezegd tegen iemand die weinig zegt.
- BOEKENOOGEN, Aanh. [1897].
- — Een woord is geen pijl, opmerkingen kwetsen niet zoo erg als pijlen.
- Een woort en is ghien Pijl, Gem. Duytsche Spreckw. (ed. KLOEKE) 23 [1550]. SPIEGHEL 280 [1606]. gruterus 1, 103 [1610].
- Bij liev.-coopm. [1875].
- — Een goed woord vindt altijd een goede plaats e.d., met vriendelijkheid en beleefdheid krijg je veel gedaan.
- Spreeckw. (ed. KLOEKE) 6 [1549].
- Ien goet woort … neemt altijdt ien goe stee, En 't leyt alle oorlogh neer, en 't verweckt ien vreedege vree, w.d. hooft, Styve Piet B 3 r° [1628].
- Een Goed woord vint een goede sté: Neemt, waer ghy gaet, het zelve mé, de brune, Spreeckw. 20 [1636].
- Jy moest de mynen eens tot jen Man hebben; zei jy boe, hy zou ba antwoorden. Wel, een goed woord vindt een goede plaats, WOLFF en DEKEN, Leev. 4, 37 [1784].
- De Herders … gingen … naar H***, en in hope dat een goed woord eene goede plaats zou vinden, spraken zij den dikken Burgemeester aldus aan, EVERTS, Ned. Spreekw. in Alg. Letterl. Maandschr. 6, 346 [1822]. joos, Schatten 148 [1887].
- — Een vriendelijk woord kost geen pond, vriendelijkheid doet veel goed en het kost niets.
- Door bescheidenheid, vriendelijkheid en kleine dienstbetooningen zult gij voorzeker de meesten aan u verbinden; en, hoe weinig dit kost, dat wisten onze vaderen …: zij hadden ten spreekwoord: een vriendelijk woord kost geen pond, v.d. hulst, Luim en E. 33 [1823].
- Een beleefd woord (of Goeden dag zeggen), kost geen pond, de cock, Spreekw. O. Gebr. 288 [1908].
- — Elk woord is wel een pond zwaar, elke opmerking is veelzeggend, van groote beteekenis en wel overwogen.
- Elck woordt is wel een pont swaer, Gem. Duytsche Spreckw. (ed. KLOEKE) 58 [1550].
- Yder woort een pont, CATS 1, 301 a [1625]. harreb. 2, 192 a [1861].
- Woorden lijk ponden sprak hij, die vele te zeggen en van groot bedied en wel beraan waren, Verz. GEZELLE [voor 1899].
- — Een spreekwoord, een waar woord.
- Mag. v. Spreekw. 1, 1 [1802].
- Arch. Ned. Taalk. 1, 375 [1847-'48]. roodhuijzen, Levenswijsh. 1 [1860].
- — Een geworpen steen, een geschoten pijl en een gesproken woord zijn niet te herroepen e.d.
- cats 1, 581 b [1632].
- Een steen gheworpen uyt de hand, Een pijl gheschoten in het land, Een woord ghesproken uyt de mond, Van al ghy gheen her-roepen kondt, de brune, Spreeckw. 329 [1636].
- Adagia quædam 22 [1727]. BOGAERT, Toegep. Spreekw. 93 [1852]. harreb. 2, 182 a [1861].
- — Zoo lang de vrouw wascht, heeft de man geen goed woord.
- gruterus 2, 169 [1611].
- Mergh d. Ned. Spreekw. 2, 45 [1644]. MODDERMAN, Bijdr. Huishoudk. 47 [1852]. harreb. 2, 64 a [1861].
- — Een zot en zijn woord zijn haast gescheiden, die te veel praten, zijn dwaas.
- Een sot en sijn woort zijn haest ghescheen. De fol iuge, brieue sentence, GOEDTHALS, Prov. 82 [1568]. GRUTERUS 3, 143 [1612]. harreb. 1, 218 a [1858].
- — Het is een goed woord dat een goed zwijgen verbetert, niets is beter dan zwijgen.
- SPIEGHEL 281 [1606]. GRUTERUS 1, 110 [1610]. harreb. 2, 480 b [1861].
- — Hij luistert naar zijn eigen woord als het zwijn dat naar zijn pissen hoort, hij hoort zichzelf graag praten.
- Hy luystert naer zijn eyghen woord, Als 't swijn, dat naer zijn pissen hoort, de brune, Spreeckw. 80 [1636].
- 2. In sommige contexten verliest woord zijn substantivische bet. van ‘begrensde taaluiting’ en krijgt het den werkwoordelijken inhoud van ‘het spreken’, ‘het praten’ (‘het schrijven’) of van ‘het middel dat den mensch ten dienste staat om zijn gedachten of gevoelens kenbaar te maken: de spraak, de taal’.
- a. In vrij gebr.
- Tes cleyn sake een woort soetelijck breken Sij becopent int inde diet anders orboren Want een cleyn goet woort swicht grooten toren, j. v.d. dale 162 [1528].
- In het woord heeft de Schepper aan den mensch het hoogste en heerlijkste middel geschonken, waardoor hij zich kan openbaren als de drager van Gods beeld en gelijkenis, als vrije, redelijke en bewuste persoonlijkheid, schaepman, M. en B. 1, 141 [1871].
- Ik spreke van uw dagelijksch woord met uw volk, uw dagelijksch woord met uwe vrienden, uw woord in vergadering en gezelschap, verriest, Vl. K. 1, 58 [1901].
- — (Pregn.) De gave des woords, de gave van de welsprekendheid.
- De Vries bezat in hooge mate de gave des woords. Zijn gemak van spreken was ongeëvenaard; zelfs onvoorbereid haperde hij nooit, j.w. muller, Verspr. Opst. 121 [1909].
- b. In verb., als obj. van een ww.
- — Het woord afsnijden. Zie Dl. I, 1471.
- — Het woord doen, spreken in naam of ten behoeve van anderen, het woord voeren, woordvoerder zijn.
- Eenen priester die sijnen dienst gaet doen, is als eenen legaet ende Ambassadeur van die ghemeynte, die welcke wordt ghesonden om het woort te doen ende te bidden voor allen het volck, maelcote, Dienst d. Missen 63 [1567].
- Alhoewel des Voochts ampt is doorgaens het woordt des Schools te doen, soo sullen nochtans de drie Overheden, Schrijver, ende drie eerste Raeden sulx moghen opleggen aen wien van de Scholieren dat sy 't goedt vinden, op pene van drie guldens, HOOFT, Br. 1, 415 [1613].
- Van stuk tot stuk te verklaaren 't geene op zynen persoon te zeggen viel, hadden zy zich niet onderwonden; dewyl d' ongeregeltheit, kommer, misnoegen, ende bystere gesteltenis des Landts, daar inne 't woordt voor hun deeden, ende duydtlyk genoegh uitdrukten, hoe luttel het gemeene beste met zyne jeegenwoordigheit, aanzien en gezagh beholpen was, hooft, N.H. 43 [ed. 1642].
- Dat is verwonderenswaerdigh, dat sij benevens haer oock haeren pensionaris, dat haren dienaer is, oock voor een heer in de commissie stellen. Sij meenen mogelijck, om dat sij haer niet bequaem en vinden het woort te doen, dat het soo weesen moet, in B.H.G. 18, 453 [c. 1672].
- Dese weeskinderen van Lyden, waar van een het woort gedaan heeft en nam de vryheydt, om Syn Hoogheyds koest (lees: koets) te doen stil staan, in Leidsch Jaarb. 11, 67 [1747].
- Dat by iedere groote gelegenheid niemand anders dan van der Palm werd aangewezen om het woord te doen, beets, Lev. v. V.d. Palm 104 [1842].
- — Zijn woord (goed) doen, (goed) praten; (goed) voor zijn belangen opkomen. Zie Dl. III, 2714 en nog de volg. aanh.
- Zyn woord wel doen, To express himself well, to deliver his speech or message handsomly, SEWEL [1766]. keyser [1951].
- — ”Nou, ga dan mee,” zei de jongen, ”as je dat niet heb gezien, heb je ook niks gezien; ik mot me woord goed doen bij de klanten, heift de baas gezeid en ik zà je wel weêr an de deur afzetten”, v. looy, Jaapje 222 [ed. 1917].
- — Iem. het woord geven, hem de gelegenheid geven te spreken, m.n. tijdens een officieele bijeenkomst.
- De Koning … wendde zigh tot de vergaadering, met wensch om de goede geneegenheit, die hy hun droegh, te kunnen uitspreeken: en zich beroepende op zyne ongeoeffentheit in de taale, te weeten de Fransche, die hy gebruikte, gaf het woordt den Bisschop van Atrecht oover, die 't met groot sieraadt van wel zeggen, uitvoerde, hooft, N.H. 3 [ed. 1642].
- — Het woord houden, spreken in naam van of ten behoeve van anderen.
- Hoe komt u vrouw Venus bastert Dus geloopen in het hooft, Dat … ghij hullep in moet haelen Om voor uw te houden 't woordt Afgerecht op maeghdoommoordt, hooft, Ged. 1, 223 [1623].
- Die mond, dien Goeiland soent met offer toe te brengen: Die 's Rechts gestrengheyd sal met veel genade mengen, En 't woord des ondersaets gaen houden by den heer, VONDEL 2, 649 [1627].
- Voed het voesterkind met dierenmerg, Op dat het … verw' den grond des vyands rood van moord; Of hou in vredehandeling het woord, Soo wijs, als dapper, VONDEL 3, 137 [1632].
- — (Gron.) Er een woord van kunnen doen, er over opscheppen, ervan roemen.
- MOLEMA, Naschr. [1887].
- — Iem. het woord laten, iemand de gelegenheid tot spreken geven.
- Ik verlang te hooren wat gij van dat standpunt al ziet, en ik laat u gaarne het woord, om het ons in het breede te vertellen, geel 52 [1838].
- — Het woord nemen (vroeger ook: aanvaarden, opnemen), beginnen te spreken, m.n. om een toespraak of rede te houden. Zie ook Dl. IX, 1830 en nog de volg. aanh.
- Hier mede eynde Vreese Goids lofsame, Ende een ander Nymphken aenveerde dat woort …, En ghinck my verclaren wat daer resteerde voort, numan, Striit d. Gem. 55 b [1590].
- Voorts nam E.L., Raadsheer van Staate, 't woordt, hooft, N.H. 625 [ed. 1642].
- Eene van de Vryers nam het woort En zey: 't is zonde enz., v. rusting 1, 638 [1693].
- De Orangtoeha E.S. (nam) wederom het woord op, en antwoordde, dat de Compe. haar believen met hem doen mogt, valentijn, O.-I. II, 1, 196 a [1724].
- Eerst zag zy my zeer oplettend aan, en zweeg; maar zich bedagt hebbende, nam zij dus het woord, WOLFF en DEKEN, Leev. 5, 63 [1785].
- O Job! zoo spreek ik voort. Of hebt gij iets te zeggen, Wel, neem dan eerst het woord! ten kate, Job 120 [1865].
- Saportas nam hierop het woord en sprak de Fransche burgers in hunne moedertaal aan, Gids 1875, 1, 140.
- — Het woord richten tot, tot (iem., een gehoor) spreken, hem aan- of toespreken. Zie Dl. XIII, 37 en nog de volg. aanh.
- Een breede kring van vrouwen …, aandachtig opziende naar den ernstigen man, op eene hooge ton geplaatst, die blootshoofds het woord tot allen rigtte, potgieter 6, 17 [1836].
- Anne, die haar lot begon te begrijpen, was voor zich blijven staren; ook had de voogd bij voorkeur het woord tot de jongste gerigt, 1, 94 [1844].
- Hij kan vervolgens het woord tot de gezworenen richten en de kracht van het bewijs tegenover de beweringen des aanklagers bestrijden, Gids 1875, 1, 282.
- — Het woord vatten (vroeger ook: opvatten), beginnen te spreken, m.n. om een toespraak of rede te houden.
- De vrouwen, die onmogelyk langer zwygen konden, waren alle zeer verheugd; één van haar vattede het woord op, en sprak: ”Wy allen” enz., Aanh. op WOLFF en DEKEN, Leev. 22 [1786].
- Op de omvraage, of aan die van Zeeland, Friesland, en Stad en Lande eenige dagen uitstels zouden worden toegestaan? vatten de Geldersche Afgevaardigden het woord, Verv. op wagen., Vad. Hist. 34, 117 [1805].
- Die levendige Grieken? (zoo vraagt gij, met verwondering: want ik zal het woord voor u opvatten), geel 58 [1838].
- ”Dat denk ik!” zei Mijnheer V., Die heel cordaat het woord eens vat, v. zeggelen 3, 22 [1855].
- De Factoor, die reeds gesproken had …, vatte weer het woord en sprak enz., consc., Bat. 1, 113 [1858].
- Dan … vatte de vader Weder het woord: ” Ja, vrienden” enz., V. BEERS, Gevoel en Leven 49 [1869].
- — Het woord voeren. Zie Dl. XXII¹, 273-74.
- — Het woord vragen, (in een vergadering) vragen om te mogen spreken.
- De voorzitter zal … aan den getuige en beschuldigde alle ophelderingen mogen vragen, die hij tot aan 't licht brengen der waarheid noodig acht. De regters, de prokureur generaal, en de gezworenen zullen de zelfde magt hebben, mits den voorzitter het woord vragende, W. v. Strafv.. 319 [1811].
- Daar volgde een geschreeuw, een gevloek, een gebrom: … Te vergeefs vroeg Dol-Drom weêr het woord; Zoo'n rumoer had hij nimmer gehoord, v. zeggelen 7, 29 [1845].
- Hooge ingenomenheid met de beginselen van het liberalisme noopt hem het woord te vragen, buys, Stud. 1, 276 [1868].
- Mijnheer de Voorzitter, ik vraag het woord, mulder, Kiesvereen. 39 [1877].
- Ik wensch, gelijk dit in de parlementaire taal heet, het woord te vragen voor een persoonlijk feit, veegens, Hist. Stud. 2, 5 [1880].
- c. In verb., als subj. van een ww.
- — Het woord is aan …, de genoemde mag nu gaan spreken, m.n. in een officieele bijeenkomst.
- Vermeten sterfling, die durft denken! Gedachte is dwaling en niets meer. Leef stil, en sterf op zyne wenken; Want zie, het woord is aen den Heer! Hy weet, waerom de wereldbollen Gelyk de golven henenrollen, In vaste en grootsche harmony, LEDEGANCK 48 [1837].
- Stilte! Het woord is aan den ouden heer Smits! lindo 3, 438 [1858].
- 't Is een verademing, dat thans het woord aan den studiosus De Wild is, en deze na een paar fluisterende woorden tot Marie Vreede opstaat om zijn voordracht te houden, v. maurik, V. all. Sl.? 114 [1881].
- d. In verb., als deel van een voorz.-bep. of van een voorz.-voorw.
- — Aan het woord zijn, blijven, raken, aan het spreken zijn, blijven, raken.
- Poland begreep dat hij aan het woord moest blijven, en vertelde tot groote stichting van het publiek een aantal bijzonderheden van zijn grooten en magtigen koning, van diens hofstoet, schatten en heirscharen, v. rees, T. Poland 2, 172 [1867].
- Fräulein Louise geraakte daarop aan het woord en verhaalde, dat enz., bergmann, Nov. 219 [1868].
- Hij moet zijn ziel open en ontvankelijk bewaren in het vertrouwen, dat hier meesters aan het woord zijn en dat de leerling luisteren moet en zwijgen, leopold 2, 644 [1890].
- — Iem. niet aan het woord laten komen, hem niet de gelegenheid geven te gaan spreken.
- Mevrouw Stork liet me niet aan 't woord komen, BEETS, C.O. 260 [1840].
- Hij wilde zijn dank betuigen, maar van Aardenburg liet hem niet aan het woord komen, daum, Raad v. I. 90 [1888].
- — In woord en beeld, met geschreven tekst en illustraties.
- Van hooger leven in woord en beeld. 24 kaarten bijeengebracht, titel v.e. werk van J.F.D. MOSSEL [1914].
- — In woord en geschrift; in woord of geschrift, zoowel mondeling als schriftelijk; mondeling of schriftelijk.
- Bakhuizen was zich zijner kracht volkomen bewust en het was hem een lust, eenen tegenstander, die het in woord of schrift tegen hem dorst opnemen, te verpletteren, vissering, Herinn. 3, 134 [1865].
- — Op het woord brengen, ter sprake brengen.
- De Kennemers (zijn) … naer huys gekeerd, luyder-keels roemende ('t welk Amstel eerst op het woord braght) dat zy op het naeste iaer den Grave van Gelre … wilden aenspreeken, en sijn landschap te vyer en zwaerde verdelgen, v. slichtenhorst, Geld. Gesch. 2, 98 b [1654].
- Als Reynald … zyne vriendschap met Philips Koningh van Vrankrijk op het woord braght, heeft hem Randulf … een rot krijgs-knechten mede gegeeven, ende seer minnelijk wt-geleyde gedaen, 2, 124 b [1654].
- — Op het woord zijn, aan het praten zijn.
- R. Ick verwongder me hoe jijt bedeyncken meucht. Van aardighers pots heb ick noyt ghehoort. M. Had ick geen raat gheweten, ick waar al op 't woort, biestkens, Cl. Kloet G 2 r° [161.].
- — Te woorde komen.
- 1°. In onderhandeling treden.
- Met den Heer van der Horst zal 't noch, nae schijn, wel acht oft tien daeghen aanloopen, eer wy te woorde koomen, HOOFT, Br. 3, 3 [1634].
- Graaf (Lodewyk) bewillighde in een' tzaamenspraak. Waarop, de heeren van L.N., S., E., en C. … met die van N., V., L., en G., te woorde quaamen, en … deeze punten bedongen, hooft, N.H. 265 [ed. 1642].
- 2°. Een gesprek voeren.
- Toen zy eens … uit de venster lagh en keek, quam 'er de vermutste vryer … verbygaan, en zijn' meesterin gewaar wordende, verzocht hy, op 't allernedrighste, ingelaten te worden, om met haar te woorde te komen, de brune, Jok en E. 50 [1644].
- Daar was een Edelman die met zekere Ioffrouw, daar hy zijn liefde verborgentlik op gevest hadde, te woorde zou komen, 234 [1644].
- — Iem. te woord staan, hem de gelegenheid geven iets te zeggen, naar hem luisteren, hem aanhooren.
- Dat sij van andere seydt is logen, dat sij van haer zelven is logen. Ick heb haer onlancx 2, 3 mael te woorde gestaen, haer bootschap aen Gout gedaen, antwoordt ontfangen, uytenbogaert, Br. 1, 55 [1602].
- Misschien zij mij te woorde staet, En doet wel, dat zij waeckend laet. Misschien haer lipjes lief mijn' lippen Met lodderlijcke toghjes knippen: En dat haer ooghje zeidt, Nu lipjes doet bescheidt, hooft, Ged. 1, 203 [1623].
- Burgemeester Lenting moet alle klaagers recht bezorgen en alle vraagers te woorde staan, wolff en deken, Wildsch. 2, 362 [1793].
- Het schijnt, dat ik mij hieromtrent bedrogen heb: althans — zij liet mij afwijzen, en wilde mij niet te woord staan, v. lennep, K. Zev. 4, 29 [1865].
- Uw manier van spreken zij altijd liefelijk, met zout gekruid; weet, hoe gij ieder te woord moet staan, Leidsche Vert., Col. 4, 6 [1912].
- — Te(n) woord(e) zijn.
- 1°. In onderhandeling zijn, besprekingen voeren.
- UE. hoopt, dat wy hier wel doen sullen ende aldaer verstaen te hebben, de Javanen haer goet om een cleyn proffyt overdoen; ick ben al over 12 dagen met eenige Arabiers te woorde geweest, in de jonge, Opk. 2, 433 [1599].
- Ghij wenscht te woordt te zijn; laet het u daer op steken Nochtans, dat vijands bood' u aenzoek' om verspreken, hooft, Ged. 1, 312 [1629].
- Den 18. dito ben ick weder met den Coningh wegens den voor-koop van 't nieuw ghewas ten woorde geweest, doch niet uyt gerecht, Begin e. Voortg. 6, 7 b [ed. 1646].
- De Bisschop (zekere huwelijksonderhandelaar) liet zich … vinden by Hertogh Arnald, die hier over (t.w. over het huwen van zijn nog jongen zoon) te woorde was met Ian Chissiaco wet-geleerden ende af-gezant van den Savoyaerd, v. slichtenhorst, Geld. Gesch. 2, 239 a [1654].
- 2°. Ruzie maken.
- De vijfsten wille is een berouwenden wille, dat is dattet ons … rouwet, als wi met yemant te woerde hebben geweest, ende dencken: ”Had ics gedacht, ic soude haer alsulken tonge geleent hebben, dat noyt roes-boem alsulken blat en droech', BRUGMAN, Onuitg. Serm. 222 [1523].
- Toen dezen tegen de avond met die van Woerden ”te woorde waren”, over het aanbesteden tot dichtbaggeren der beide dammen, Rechtsbr. Hoofdwatersch. Z.-Holl. 575 [aangeh. woorden 1612].
- 3°. Een gesprek voeren.
- MOLEMA (hs.) [1895]. TER LAAN [1929].
- — Toen zy den Koning, op hun manier, treffelik aangesproken hadden, namen zy afscheit; maar quamen 's anderdaags weêr, en verzoghten zijn Majesteit ten woorde te zijn, de brune, Jok en E. 73 [1644].
- Wijd te woorde zijn, diep in de onderhandelingen steken.
- Dat Corbye weder Fransch is, zoud' jk geirne gelooven, ongeirne met U E. dat die Koning, en de Spaensche zoo wijd te woorde zijn, zonder ons oft de Sweden in acht te hebben, HOOFT, Br. 3, 190 [1636].
- II) In het mv.
- 3. Begrensde mededeeling, korte opmerking, uiteenzetting of meeningsuiting, al dan niet als deel van een gesprek (of geschrift). In de vaste verb. is niet altijd duidelijk met welke bet. van woord men te doen heeft; bij het onderbrengen van deze verb. onder een bep. bet. is derhalve van een zekere willekeur sprake.
- a. In vrij gebr.
- Ende Dauid brac sine mannen met woorden, ende en lietse hen niet tegen Saul op rechten, Bijbel v. Liesveldt, 1 Sam. 24 B [1526].
- Als een wijs engien Ghespelene wilt wel v woorden wien Ick houde v wijser dan ghij spreect, j. v.d. dale 149 [1528].
- In dese luttele woorden zijn int cortste verhaelt alle de goede wercken, die vande ghene die in Christo, door den Doop herboren zijn, gedaen moeten worden, stratius, Conste om wel te sterven 164 [1620].
- Dese dinghen (t.w. een twistgesprek) en zijn by het bed niet geschiet, maer in een sale die dicht by de slaep-kamer was: nochtans mocht hy (t.w. de zieke) alle woorden horen, want zy en spraecken niet heymelijck, maer de sake wierde overluydt ghehandelt, erasmus, Coll. Fam. 259 a [ed. 1644].
- Ick sal u de saeck recht uyt verhalen, en mijn woorden soo kort maeken als ick kan, erasmius, Op. posth. 1, 227 [ed. 1671].
- Ik weet niet, Mejuffrouwen! of myne buitengemeene bekwaamheid in het buigen en verdraaijen der woorden mede onder de voorwerpen uwer nieuwsgierigheid behoort, Aanh. op WOLFF en DEKEN, Leev. 5 [1786].
- En hare doffe oogappels schenen onzeker te turen in de toekomst, terwijl ze voortging en hem door den grievenden toon harer stem liet begrijpen al wat ze in hare woorden niet leggen dorst, DE VOS, Vl. Jong. 194 [1881].
- Maar wanneer ik nu tegen u opkom met het beste van wat mijn hersens en hart hebben gedacht en gevoeld, en ik spuw u de woorden tegen, die door mijn beste werkelijkheid zijn gemaakt, en ik spuw ze zoo heet op wat gij best hebt gedaan, dan kunt gij niet zeggen, dat ik u minder wondde dan als ik uw oogen had uitgestoken, V. DEYSSEL, Verz. Opst. 1, 26 [1884].
- Om de jongens dus? drong Adolfine. Adolfine, laat ons liever niet spreken over dingen, die ons misschien tot woorden kunnen verleiden, waarover we later berouw zouden hebben, couperus, Kl. Z. 2, 166 [1901].
- b. In verb., als obj. van een ww.
- — Zijn woorden eten, terugnemen, herroepen.
- Palinodia … Wederruffung oder sag. Wederroepinge, ende als yemant sijn woorden eet, oft door den hals haelt. Reuocation, dedit, JUNIUS, Nomencl. 12 a [1567].
- — Zijn woorden in zijn hals halen, zijn woorden intrekken.
- Hy sal die vvoorden in sijn hals haelen, GHEURTZ, Adagia 16 b [1552]. SARTORIUS I, 10, 30 [1561]. tuinman 1, 192 [1726].
- — 'Tis onwarachticgh datje van mijn hebt gaen praten Je sult de woorden in jou hals halen, seggen dat het soo niet en is En … bidden mijn om vergiffenis, v. santen, Snapp. S. D 1 r° [1620].
- Te segghen wat men wil, en ast tot we'er-segghen comt, dan haeltmen de woorden in sijn hals, Ald.
- — Iem. de woorden uit den mond halen, nemen, datgene zeggen wat hij juist op het punt stond te zeggen.
- Gij haalt mij de woorden uit den mond (ook wel: Dat wilde ik juist gezegd hebben), harreb. 2, 97 b [1861].
- — Zijn woorden inhalen, terugnemen.
- De Ambassadeur van Engelant heel hoog hebbende gesproocken heeft zyne woorden moeten inhaelen, grotius, Briefw. 2, 105 [1621].
- — Zijn woorden inhouden, niet zeggen wat men van plan was te zeggen.
- Veel peysende hiel ick mijn woerdekens inne. Dachtende oft ick mocht verstant ghecrighen Tes const te tije spreken en swighen, j. v.d. dale 77 [c. 1516].
- — Iem. de woorden uit den mond kijken, zien, aan zijn lippen hangen.
- v. alkemade, Holl. Spreek-wiisen (hs.) 73 b [c. 1700].
- Adagia quædam 42 [1727]. harreb. 2, 99 b [1861].
- — Hier bin ik in de ly, als een verjaegden hongt, Wangt duske groote gekken kyken je de woorden uit de mongd, v. bogaart, Nieuwsg. Aegje 23 [1679].
- — Iem. de woorden in den mond leggen, beweren dat hij het genoemde gezegd heeft.
- Iemand de woorden in den mond leggen, harreb. 2, 99 b [1861].
- — Ergens niet zoo veel woorden af maken, er niet veel woorden aan vuil maken, er maar kort over praten.
- APHERDIANUS, Tyroc. 7 b [1552].
- — (Veel) woorden (ver)spillen. Zie ook Dl. XX², 543.
- Maar 't is niet nodig dat ik woorden meer verspil, LANGENDIJK 2, 35 [c. 1720].
- Waarom spilt gy zo veele woorden, om my te beduiden, waar in de Godsdienst van een eerlyk Mensch bestaat? WOLFF en DEKEN, Leev. 3, 348 [1784].
- — Zijn woorden sparen, niet veel zeggen.
- Eerbaer van persoone ionck van iaren Sullen toe hooren ende haer woorden sparen, Tafel tucht C 3 v° [ed. Kampen, c. 1560].
- — Woorden spreken, zeggen, praten, spreken.
- Daer waren ons lancen beide gebroken Mer wy bewaerden onse sadelen daer En hebben terstont in ons handen beloken Ons swerrden sonder veel woerden gesproken, pertcheval, Camp v.d. doot a iij v° [1503].
- Dat hij gelijcke woordens gesproecken soude hebben vuyt lichtuairdicheyt, bysonder soe hy tselue doir eenige vanteringe van een wairsegger, hem groote dingen beroemende, gesproecken sal hebben gehadt, in Oude Tijd 1869, 320 a [1549].
- Lange woorden spreken, overgeven, braken, kotsen.
- Hij spreekt lange woorden. Hij geeft over, harreb. 2, 481 a [1861].
- Woord. lange woorden spreken. overgeven, braken, aant. v. A. BEETS [c. 1900].
- Woorden van een vadem spreken, overgeven, braken, kotsen.
- 't Is geen nood, De man (zeer dronken) is noch niet dood, Hy staat weêr op zyn beenen; Maar zacht, wie is 'er buiten aâm, En spreekt 'er worden van en vaâm? Ik hoor zo byster steenen, de regt, Mengeld. 64 [c. 1710].
- — Zijn woorden terugnemen, intrekken, herroepen, ongedaan maken.
- Toen hy noch vegten, noch zyne woorden te rug neemen wilde, maar my als een gemeenen jongen met zyn rotting wilde slaan, heb ik hem in drift zyn stok ontwrongen, en hem ongenadig geklopt, WOLFF en DEKEN, Leev. 1, 287 [1784].
- — Iem. eenige woorden toevoegen. Zie Dl. XVII¹, 839.
- — Iem. de woorden uit den mond moeten trekken, gezegd van iem. die zeer weinig zegt.
- scheller [1979].
- — Iem. met zijn eigen woorden vangen, zorgen dat iem. zich vastpraat door hem te confronteeren met zijn eigen woorden.
- Ic vange hem met zijnen eigen woorden. Suo ipsius laqueo captus est, servilius 183 b [1545].
- — Zich in zijn eigen woorden verstrikken, zich vastpraten doordat men geconfronteerd wordt met wat men eerder gezegd heeft.
- harreb. 2, 481 b [1861].
- — Geen woorden aan iets vuil maken, geen woorden meer aan iets verspillen, er niet meer over praten. Zie ook Dl. XXIII, 1251.
- scheller [1979].
- — Eenige woorden wisselen, met elkaar spreken, praten.
- Ik herinner my, dat twee van hen eenige woorden wisselden, in eene taal, die ik niet verstond, WOLFF en DEKEN, Leev. 7, 129 [1785].
- — Eenige woorden, een paar woorden zeggen, kort iets zeggen.
- Wy zullen eenige woorden zeggen over de voorname voortbrengselen van Spanje, en in eene volgende nota zullen byzonderheden voorkomen nopens zekere gewassen aan het land eigen, Akkerbouw 26 Mei 1861, 2 b.
- Constance boog, koel, zei een paar woorden. Bertha noemde nog een paar namen, en Constance hier, daar, sprak koeltjes, heel even na, couperus, Kl. Z. 2, 199 [1901].
- c. In verb., als subject van een ww.
- — De woorden bestierven op zijn lippen, hij kon niets uitbrengen.
- Met dat ze d'r omkeert en Teet ankijkt om 't te zegge, bestierve 'r de woorde op d'r lippe. 'n Géést kon niet effetief witter zien dan Teet op dat oogeblik: mensch wat zien jij d'r uit … 't lag 'r al op d'r tong, maar toe ineens zonder 'n kik of bewijs van leve strijkt ze neer op de straat, smeding, Stil St. 1, 155 [1920].
- — Onze woorden glijden langs elkaar heen, wij begrijpen elkaar niet.
- Er was vreugde in onze begroeting. Want hoe zelden wij ook overeenstemmen, haast nooit glijden onze woorden langs elkander heen, zij 't dan ook dat hij gewoonlijk de spreker is en ik de agressieve-luisteraar, Stem 1, 293 [1921].
- — De woorden vloeien hem uit den mond, hij spreekt gemakkelijk en vloeiend.
- De woorden vloeijen hem uit den mond, harreb. 2, 97 a [1861].
- d. In verb. met een kenmerkend bnw.
- — De aangehaalde woorden.
- Voor hen, die zich tot een kruistocht tegen taalverbastering aangorden of 't reeds gedaan hebben, bevatten de aangehaalde woorden een nuttigen wenk, N. en Z. 10, 1, 12 [1887].
- — Afdragende, injurieuze, kijflijke, schandaleuze woorden, beleedigende, smadelijke woorden.
- Wat vrouwen malcanderen opseggen affdragende woorden oft rebelle, ende nyet gewaerigen en connen, die sullen verboeren jegens die stadt 10 lib. zwartte oft den steen dragen, in BEZEMER, O. Rechten v. Steenbergen 101 [1504].
- Ten waere dat sij tvechtelisse met kijflicke woerdens ofte eenige onmanierlicheit up haeren hals haelden, Keuren v. Delft 66 [1ste h. 16de e.]. Soo wanneer iemant den anderen heet zijns vaders werck doen ofte andere diergelijcke onbetamelijcke schandelose, ontydige woerden geeft ofte toespreeckt, sal verbueren drie pondt was, overvoorde en joosting, Gild. v. Utr. 2, 479 [1551].
- Sullen de tael-lieden, by de selve schrifturen, hun vermyden van eenige rediten, injurieuse ende schimpighe woorden te ghebruycken, niet dienende tot de meriten van de saeke, Cost. Vrije v. Brugge 1, 260 [1628].
- Niemand zal op de wagt vloeken, sweeren, des Heeren heyligen naam lasteren ofte eenige schandeleuse woorden spreeken, N.-I. Plakaatb. 9, 510 [1766].
- — Gesmeerde woorden, vleierij, stroopsmeerderij.
- Dit waren doch niet anders als gesmeerde woorden en bedeckte stricken, om den licht gelovigen ellendigh te verschalken, PERS, Ontst. Leeuw 339 a [1647].
- — Gladde woorden. Zie Dl. V, 10.
- — Goede woorden, vriendelijke woorden.
- Met goe woorden soumen ien Keuningh uyt zijn stoel praten, Daerjem met qua woorden t' onvrient sou krijgen, w.d. hooft, Styve Piet B 3 r° [1628].
- Magh dat slot niet op? geenssins. Voor niemand? neen. Voor Vriend noch vreemde? neen. Voor geen' goe' woorden? geen, huygens 1, 556 [1669].
- Dat op sijn raedt de moeder opstondt ende de soldaten met goede woorden amuseerde, ende hij ondertusschen sijn dinghen deed met de dochter, C. HUYGENS Jr., Journ. 1, 186 [1689].
- Een getrouwde vrouw, haren man ongehoorzaam zynde, staat hem toe voor de eerste reys, des mogelyk, met goede woorden te onderrigten en tot haare pligt te brengen, N.-I. Plakaatb. 7, 406 [1760].
- Ik dank u hartelijk voor de goede woorden, Mijnheer Conscience, DE VOS, Vl. Jong. 180 [1881].
- Voor (door) geld en goede woorden, tegen betaling en vriendelijkheid.
- Doordien hij niet ingelaten wiert …, wilde hij de hoere alle de bek breeke zo zij hem niet tappen wilde, voor gelt en goe woorde, waaren de buiren genootsaakt hem te paayen, in Oudh. Jaarb. 1942, 12 b [1646].
- Der Schotten Veld-heer R. verneemende, dat de Engelsch-man zich had versterkt, ende door geld en goede woorden over zee gelockt eenige Geldersche benden, koos zijn leger-plaets op de grensen van Engeland, v. slichtenhorst, Geld. Gesch. 2, 124 b [1654].
- Goede woorden geven.
- De vrouw, die … zeer bang voor die man was, wetende wat magt hy had, oordeelde best hem voor eerst goede woorden te geven, zeggende, dat zy haar ontrent zulk een zaak zoo schielyk niet verklaren konde, valentijn, O.-I. IV, 1, 363 b [1726].
- (De) Hertog, die toens allerley kunsten, sooals altoos, gebruikte om de luiden goede woorden te geven, v. hardenbroek, Gedenkschr. 3, 253 [1781].
- Zy slaat agteruit, als men haar eens narydt, en trekt een lelyke smoel, als gy goede woorden geeft; of als men haar ten besten raad, wolff en deken, Blank. 2, 320 [1787].
- Goede woorden hooren, een goeden naam hebben.
- APHERDIANUS, Tyroc. 6 b [1552].
- — Groote woorden. Zie ook Dl. V, 1069. 1°. Heftige, ruzieachtige woorden.
- Den XI Junij was Lieven de Zomere, backere, ghestelt up een schavaut voor Jacop Impens ende ghebannen vijftich jaer, om dat hij groote beroerte maecte ende groote woorden nam jeghens de gheestelicheyt ter causen vande leeringhe van Martinus Luter, Chron. v. Ghendt (ed. DE POTTER) 54 [1525].
- Hy (t.w. de koning) (had) de Princes L. weder als zyn gemalin aangenomen; dog de zelve ook zeer qualyk gehandelt, om dat zy groote woorden over een dubbeld nieuw overspel van den Koning … gemaakt had, valentijn, O.-I. I, 2, 50 b [1724].
- Er vallen (ontstaan) groote woorden.
- Tusschen den Heere v. R., en J.J. (te voren twee mackers, maer nu gelyck twee honden aen een been) groote woorden vielen, den eenen den anderen scheldende voor verraeder, de jonghe, Ghendtsche Gesch. 2, 154 [ed. 1746].
- Maer Axenwalle, wilde naer het collegie niet komen, waerom onder hun groote woorden sijn ontstaen, bij liev.-coopm. [1791].
- 2°. Overdreven woorden, die de zaak ernstiger, zwaarder voorstellen dan ze is.
- ”Gy weet, dat ik nog de vierschaar over u moet spannen wegens een misdrijf, door u begaan.” ”Boe! boe! denk niet, dat gy my met uw groote woorden zult afschrikken!” V. LENNEP, Rom. 3, 226 [1840].
- Dank u. Dank u hartelijk. Ik heb me niet vergist, toen ik u zeide, dat u goedhartig was. U is meer dan goed, u is edel … Wat gebruikt u groote woorden! sprak hij schertsend. U wordt zoo deftig! couperus, E. Vere 3, 160 [1889].
- Waarom niet … herhaalde zij peinzend. Omdat ik, al ben ik jong, gebroken ben. Waarom wil je dat niet inzien? Omdat alles in me verbrijzeld is, omdat ik een ruïne ben … — Eline, gebruik geen groote woorden om mij te antwoorden. Spreek kalm, 3, 181 [1889].
- — Harde woorden, booze, bitse, barsche woorden.
- Doen antwoorden den Moor dat sy gheen gebedt voor hout en steen deden, dan aenden levenden Godt …, ende seyde: ghy luyden Portugeesche Christenen ende Heydenen zijt alleens: want aenbidt die ghemaeckte beelden …, met welcke antwoordt die Portugees so quaet wert dat hy hem begost te schelden met vele harde woorden, v. linschoten, Itiner. 64 a [1596].
- U E. (zoude) niet geloeven wat harde woorden ick op dese antwoorde creech, R.G.P. 108, 471 [1611].
- Smergens was Baersenburg bij mij, seyde, savonts te voren met harde woorden had afgegaen, tegen Brienne, C. HUYGENS Jr., Journ. 2, 48 [1692].
- Dat zijn nu almeteens een keer harde woorden nietwaar? Biekorf 20, 139 [1909].
- — Hevige woorden hebben, ruzie, twist hebben.
- Ik had hevige woorden met hem gehad over zijne onbuigzame hardnekkigheid, loosjes, Bronkh. 5, 119 [1807].
- Ik had er al met eene plaatsbewaarster hevige woorden om gehad; want als die maar eene volle kerk hebben, dan is alles mooi en goed, fokke, Verz. W. 9, 71 [1808].
- — Hooge woorden. Zie ook Dl. VI, 1013. 1°. Luid hoorbare woorden; ook: uitdagende woorden.
- Openbaerlyck met hoegen woirden te seggene wel bij dranck zijnde, in l. de man, Brab. Oork. 463 [1519].
- Op 't scheiden van den Raadt schoolt hy (Granvelle) by Viglius en Barlemont: houdt naaspraak met hun, ende laat de Prinsen van Oranje en Gavere … staan toekyken. Dit verdriet deed hen uitvaaren met hooghe woorden: dat de meening zyner Majesteit niet was hen buiten te sluyten, om aan 't roer te doen zitten eenen vreemdeling geboortigh uit Borgonje, hooft, N.H. 42* [ed. 1642].
- 2°. Verheven, edele woorden.
- Daer by niet alleen sy spreken Hooghe woorden uyt de schrift Door haer kloeck verstandt ghesift, Calliope (ed. DE MEYERE en BAEKELMANS) 12 [1651].
- 3°. Heftige, ruzieachtige woorden.
- Vast alleens gink het den Graave van Hoorne, die … van Hieronimo de Salinas …, met eenighe krysluiden omringt werd, en aangehouden; niet zonder gelyke hooghe woorden, eeven als Egmondts, in den windt, geslaaghen, hooft, N.H. 151 [ed. 1642].
- Toen wierden se na de gevangenis geleyd, en gaende voorby de Kerk, seyden se: O moordenaers Kuyl, en Duyvels Choor. Waerom spreekt gy sulke hooge woorden seyde de Schouts knecht? Om dat'er soo menige arme ziel in vermoord word, seyden sy, v. braght, Martelaerssp. 2, 132 b [ed. 1685].
- Zo waren 'er, tusschen den Koning, en haren broeder (t.w. dien van 's konings gemalin), zeer hooge woorden hier over gerezen, te meer, alzo dit gansch werk zyn ware oorsprong alleen uit een groote verbittering van zyn Hoogheid tegen dien ryx-bestierder zelf al zedert een geruimen tyd te voren genomen had, valentijn, O.-I. I, 2, 50 a [1724].
- Hooge (sterke) woorden hebben, ruzie, twist hebben.
- harreb. 3, CLXXIX b [1870].
- — Neef Campe ende een zoon van capitain Cabbeljaeu hadden tsamen hooge woorden ghehadt, m. v. reigersb., Br. 171 [1628].
- Waarop tussen den heer Tromp en mij, seer in mijn eer geledeert vindende, seer hooge woorde reesen, die tot het uyterste geloopen saude hebben, tenzij de gedeputeerdens sig tussen beyde hadde geset, sweers in Oorlogv. t. z. 123 [1729].
- Dat den gemelden M. met sekeren J. op eenen naer middagh stercke woorden hadden ende te saemen eenen swaeren stock vast hadden ende met gewelt malkanderen den selven uijt de handt wilde vringen, bij gailliard, Keure v. Hazebr. 4, 504 a [1778].
- Myn Man was dan heel naar Kattenburg gesjouwt, zo maar in zyn kamisool, daar ik dikwyls hooge woorden om heb; want hy is geen ding grootsch, en heeft rokken by rokken, WOLFF en DEKEN, Leev. 6, 4 [1785].
- Hij deed er een zwaare vloek op, en sloeg op de tafel dat het daverde; kort gezeid … ik zweeg ook niet, en wij hadden heele hooge woorden, wolff en deken, Wildsch. 3, 30 [1793].
- In (hooge) woorden vallen, een ruzie, twist, woordenstrijd beginnen.
- De ghesanten … segghende dat hy met hen gheckte, vielen in hooghe woorden, V. SCRIECK 85 [1614].
- Er vallen hooge woorden, er is ruzie, twist, er ontstaat een woordenstrijd.
- Sij zeyden claer nyet te verstaen anders dan van de steden dependeert aen ons te laten volgen. Hierop vielen wat hoghe woerden, V. OLDENBARNEVELT 2, 279 [1609].
- — Kwade woorden, barsche, onvriendelijke, smadelijke, beleedigende woorden.
- Item oft ghebuerde dat eeneghen twist gheschiedde tusschen eenich vande gulde broeders, als van logen streepen, vloecken oft andere manieren van uploope, leelycke of quade woorden te ghevene in gramscepe, zonder nochtans tfait te doene, Ann. Ém. 3, 8, 404 [1510].
- Indien … enyge dorpere, onnutte, kieflicke ofte quade, onbehoerlycke worden gesproken worden, R.G.P. 14, 282 [1516].
- Zoe wat foreyne die eenige porter qualich toe spreeken met deesen quaede woerden, als te seggen: dief, hoeresoen, verreder, meynedich, ende dier gelycken woerden dye ter eeren draghen, die sals zyn op VI realen aen heer ende aen stadt … te beteringhe te doene, Cost. v. Loon 3, 270 [16de e.]. Zoe wye den anderen van den porteren van Loen met quaede offt lelycke woerden toe spreckt die oneerlick zyn ende qualick luyden als te seggen: quade galge, koekyn … ende deender gelycker woerden, die sal enz., 3, 280 [16de e.]. Zoe wye van den voirsch. porteren den anderen qualycken toe spreckt met deessen quaden oneerlycke woerden als te seggen: hoeresoen …, dief, moerder …, die sals zyn op twee reael enz., Ald. Soo wie een anderen quaede woorden geefft die sijner eeren aengaen, die sal daermede broocken dry goltgulden aen heere, stadt en raede, Publ. Soc. Hist. Limb. 1941, 12 [17de e.].
- — Kwade woorden hooren, een slechten naam hebben.
- APHERDIANUS, Tyroc. 6 b [1552].
- — Iemands laatste woorden, het laatste wat iemand vóór zijn dood zegt.
- Dit sijn dye leste woorden Davids, Bijbel v. Liesveldt, 2 Sam. 23 A [1526].
- Voncke en zijne vrouw hadden zoo gaarne iets over dezes einde, zijne laatste woorden, den toegang der ziekte vernomen, loveling, D.E. 34 [1891].
- — Looze woorden, holle, nietszeggende woorden.
- Iob antwoorde ende sprac, Jc heb sulc dicwile gehoort, ghi sijt altemale allendige troosters. En willen die loose woorden geen eynde hebben, Bijbel v. Liesveldt, Job 16 A [1526].
- — Mooie, lieve, zachte, zoete woorden (woordjes).
- Hy zogt hen eerst door zyn gezag tot bedaring te brengen; maar ziende, dat het zelve geen gewenschten uitslag geven zou, begon hy hun door zagte woorden, en door zyn eigen voorbeeld, te toonen, wat hun pligt was, valentijn, O.-I. I, 2, 197 b [1724].
- Geen zoete woordjes geeven, zo als je gewoon bent. Neen, meid, je moet je dan boos houwen, en barsch kyken, WOLFF en DEKEN, Leev. 6, 13 [1785].
- Zij … kuste de traantjes der kinderen van hunne wangen weg, gaf hun allerlei lieve woordjes en zeide hun, dat zij immers zoet waren en dus niet behoefden te huilen, v. lennep, K. Zev. 3, 94 [1865].
- Alles hangt in dezen af van het meisje zelf: heeft het vaste, strenge beginselen, en weet het de verliefde lonken en zoete woordjes van jonge en oude aanbidders met koele onverschilligheid te bejegenen, dan zal het, al ziet het er nog zoo lief uit, ook niet struikelen op den weg, 4, 196 [1866].
- Och! 't gros van 't publiek is al gauw tevreden, als je met pathos en veel gesticulatie wat mooie woorden zegt, v. maurik, V. all. Sl.? 117 [1881].
- — Onbetamelijke, vuile woorden, smerige, vieze praat.
- Tseste (t.w. de zesde oorzaak voor ”onnutte begheerten”) es, als yemant met onnutte vuyle woorden, ander oft hemseluen verwect tot oncuysche begheerten, herentals, Sp. d. Kerst. Lev. 125 b [1532].
- Dat de voors. Procureurs ofte tallieden, teghens elckanderen oft partyen negheene iniurieuse onbetamelicke oft indecente worden nemen en zullen, op peine van vj. groote ende arbitraire correctie, Vl. Placcaertb. 2, 297 [1556].
- In May vertrok de Heer van den Heuvel na Batavia, die, over de schande, hem … aangedaan zeer tegen haar Edelheden verbittert, zich niet bedwingen kon eenige vuile woorden en lasteringen tegen de hooge Regeering … te uiten, valentijn, O.-I. II, 2, 104 b [1724].
- Ettelijke pennisten (gingen) zoo verre van ”de commando der opperofficieren openbaarlyk te bespotten, onder uytting van diverse, onbetamelyke woorden, die om der selver vuylheyt alhier niet gevoeglyk kunnen werden ter needer gesteld”, N.-I. Plakaatb. 4, 435 [aangeh. woorden 1738].
- Zy zullen zig wagten van te krakeelen, verwytingen, dreygementen van slaan, vuyle woorden, ligtvaardig sweeren, vloeken, lasteren en van het leezen van oneerlyke boeken, 10, 208 [1778].
- — Valsche woorden, leugentaal.
- Si gaen leech, daerom roepen si en seggen Wi willen gaen ende offeren onsen Gode. Men ouerualle die lieden met arbeide, dien si te besorgen hebben, ende hen niet en keeren aen die valsce woorden, Bijbel v. Liesveldt, Exod. 5 B [1526].
- e. In verb., als deel van een voorz.-bep. of als deel van een voorz.-voorw.
- — Iets achter iemands woorden zoeken. Zie ZOEKEN.
- — Antwoorden bij ware woorden, naar waarheid antwoorden.
- Op alle welcke vraegen de comparanten … gehouden sullen syn ongeveynsdelyck te antwoorden by waere woorden ofte by eede, N.-I. Plakaatb. 1, 537 [1642].
- — Iem. bij zijn woorden pakken, iem. in het bijzijn van getuigen op lastertaal betrappen en hem voor het gerecht dagen.
- TEIRL. [1922]. corn., Bijv. [1938].
- — In andere woorden, anders uitgedrukt; duidelijker, meer expliciet gezegd.
- Worden wij door hem geroerd, geschokt of bekoord, zooals hij het zelf was? In andere woorden is hij een waar dichter? rooses, Derde Schetsenb. 250 [1880].
- — In korte woorden, kort en bondig, met weinig woorden.
- Den coninck, soo den ambassadeur ontbiet, heeft hem … in corte woorden (alsoe se oock segghen dat hij nimmermeer lanck in sijn woorden ende propoosten en is) geseght, dat hij blijde was te verstaene dat enz., R.G.P. 108, 484 [1611].
- Het is een werk om heel veel over te zeggen, omdat er heel veel in ligt, maar ik wil trachten in korte woorden het stuk en zijne waarde eenigszins te doen kennen, rooses, Derde Schetsenb. 298 [1882].
- — In weinig woorden veel zeggen.
- Ik versta de kunst niet, om veel in weinig woorden te zeggen, WOLFF en DEKEN, Leev. 5, 361 [1785].
- — Met andere woorden, anders uitgedrukt; duidelijker, meer expliciet gezegd.
- De Duitsche taal legt den klemtoon op die syllabe, aan welke de beteekenis des woords bepaaldelijk verbonden is, met andere woorden, op de stamsyllabe van een eenvoudig woord, brill, Holl. Spraakl. 187 [1846].
- Ik meen dat … dergelijke gedichten meer moeten spreken door wat zij niet zeggen dan door wat zij in woorden mededeelen, met andere woorden, dat er veel aan den lezer wordt overgelaten om tusschen de regels te lezen, VOSMAER voor j. perk 4 [1882].
- Het is bekend, dat tot heden geen licht kan verkregen worden zonder een lichaam tot gloeien te brengen, of met andere woorden, dat met lichtstralen te gelijk warmtestralen worden opgewekt, v. cappelle, Electr. 10 [1908].
- — Met deze woorden.
- Bevvijst ons uyt de H. Schrifture, dat niemandt voor Godt rechtveerdich en can vvesen, dan die het quaedt laet, ende het goedt doet. Dit leert ons S. Jan met dese woorden Kinderen dat niemandt v en bedrieghe: ende rechtveerdicheydt doet, die is rechtveerdich; die sonde doet, die is uyt den duyuel, makeblijde, Catech. 421 [ed. 1641].
- — Met korte woorden.
- 1°. In het kort, met weinig woorden; kort gezegd, kort samengevat.
- Ic hiete tcalf van wondere, mer tcalf van allinden Mocht ic bat hieten met corten woorden, Esbat. v.d. Rode Lelije 45 [1559].
- Met corte woorden, ghy hebt ouer al ghefaelt: want ghy en hebt gheen tamelicheit ghehouden in uwe stemme ende ghestalt des lichaems, T'samenspr. 151 [Antw., 1567].
- Die Procureurs en sullen niet meer in d' Audientie spreken, dan met corte woorden heur Termijn houden; ende t' Surplus den Advocaten laten bewaren, merula, Man. v. Proc. 158 [1592].
- Dat men, om dien man niet te brandmerken, hier van niets aanteekenen, en hem op de zedigste wyze met korte woorden zeggen zou, dat hy zelf best wist, wat 'er daags te voren … geschied was, valentijn, O.-I. III, 1, 86 a [1726].
- Als hunne parthyen afgeroepen zyn, zullen de advocaten en procureurs haare termynen met korte woorden houden en zulks zonder injurieuse woorden te gebruyken, N.-I. Plakaatb. 9, 96 [1753].
- 2°. Spoedig, snel.
- Haest u, gevaer! met corten woerden, Laet ons beij in huijs gaen loopen! Trou m. bl. 284 [1578].
- — Met open woorden, mondeling.
- Den Executeur en moet sijne commissie niet schriftelijck exhiberen, maer met opene woorden pronuncieren, ende verhalen, of … relaes doen, de damhouder, Pract. Civ. 138 [ed. 1626].
- — Met uitgedrukte woorden, als vert. van lat. expressis verbis, met nadruk, uitdrukkelijk, met zooveel woorden. Zie voor meer aanh. uitdrukken, 3, c).
- So is hy (t.w. de paus) dan de rechte Melchisedeck, wiens Priesterdom met de andere Priesteren niet en mach worden vergeleken. Want dit staet aldus met wtgedructe woorden int boeck der Decreten, marnix, Biënk. 2, 2 (bl. 107 b) [ed. 1569].
- Hoe datmen de misse deuotelick doen sal, wat cleederen, wat ghewaet ende wat ghereetschap datmender toe bruycken sal: In wat doecken datmen het sacrament legghen sal … Ghelijck alsmen … in den tweeden brief Clementis met wtgedructe woorden lesen mach, 2, 2 (bl. 112 b) [ed. 1569].
- — Met zachte (zoete) woorden.
- Hier op antwoorde Pallas met woordekens soete Ick sal de waerheyt segghen, van al dat ghy begheert, COORNHERT, Odyss. 1, 3 b [1561].
- Dat sij riepen … wij willen tgelt hebben dat de Heeren Staeten voor ons betaelt hebben, doch sijn eyntelijck met sachte woorden ter neder gestelt, duyck, Journ. 1, 264 [1593].
- Als je hem met soete woorden soo veer ekregen hebt, dat hy bekent, dat hy de Vaer ” is: Soo sel ick, met me Getuygen, voor den dagh komen springen, Kl. v.d. Gew. Hoorendr. 11 [1626].
- — Naar woorden zoeken. Zie ZOEKEN.
- f. In verb. met een bez. vnw. of gevolgd door een gen.-bep. ingeleid door van.
- — Zijn (eigen) woorden, wat hij (zelf) gezegd heeft.
- Sommighe van die (t.w. van de geschriften van kerkvaders) hebbende gedrecreteert ghevvest inde kercke, door de vvercken der H. Consilien ende Canons gemaeckt ende versaemt van hun eyghen vvoorden, soo sijn sy van meerder credyt ende vermoghen, om den gheest des menschs te verwecken … tot de oeffeninge van ons H. Gheloove ende religie, knibbe, Gheest. Leer. a iiij v° [1639].
- — De woorden van (Paulus), wat (Paulus) gezegd (of geschreven) heeft.
- Ik hou het met de woorden van Paulus: bezit uw ziele in lydzaamheid, WOLFF en DEKEN, Leev. 6, 178 [1785].
- g. Gevolgd door een substantivische nabep. ingeleid door een voorz.
- — Woorden van (commando, troost, vermaning e.d.), woorden waarmee men (een commando geeft, troost, vermaant e.d.), commando-, troost-, vermaanwoorden.
- Ordre en woorden van commando op de handelinge van de Snaphaan, benevens des selfs explicatie, Gr. Placaetb. 5, 109 [1701].
- Den eerstvolgenden zondag gaat hij over dat graf ter kerke, waar hij woorden van troost hooren zal, BEETS, C.O. 289 [1837].
- Het verduisterde houten boek, dat, naar zij waanden, zijn naam niet droeg naar de houten borden waarin het gebonden was, maar naar de woorden van vermaning die er voorin geschreven zouden staan: ”Hout dit boeck”, FRUIN in droste, Overbl. 278 [1879].
- h. De woorden worden vaak gesteld tgov. daden of werken.
- a. Tgov. daden.
- Dreijgen niet en is dan woorden ende niet bij faite, wielant, Pract. Crim. 100 [1503-'16].
- God heeft myne familie met goederen gezeegend; ik hebbe vermogende vrienden: ik wil overäl, meer door daaden dan woorden, uw Vriend zyn, WOLFF en DEKEN, Leev. 6, 96 [1785].
- Hoe veel meer let men op woorden dan op daden, waar men den braven en eerlijken vriend der waarheid verguist, maar den onzedelijken huichelaar viert, opzoomer, Waarb. v.o. Vooruitg. 21 [1864].
- We zijn in 't eerste bedrijf tegenwoordig bij zijn afval te Parijs; in het tweede, derde en vierde bedrijf bij zijn schermutselingen in woorden en later in daden met de Christenen te Antiochië, Gids 1875, 1, 227.
- ß. Tgov. werken.
- Item, zoe zullen de lijndrayers oft heure dyenaeren schuldich wesen hen te wachten den wardeyns van desen ordonnantie tot enige tyden ofte plaetsen ennich verdriet te doene ofte laten doen mit woordden oft wercken oft hoe dat anders zoude mogen wesen, op de correctie van der stede, R.G.P. 69, 7 [1514].
- Ten eersten so biddick elcken die leeft. Heb ick teghen iemant mesdoende ghesneeft. In woerden in wercken teenighen tijt Dat ghi wt caritaten mi dat vergheeft, j. v.d. dale 121 [c. 1516].
- Hoe salmen hem ghelooue gheuen: wiens woorden ende wercken contrarieren? V. MUSSEM C vij r° [1553].
- Dat, by woorden nocht werken, geneeghentheit in de Staaten tot het volbrengen hunner beloften gespeurt werd, hooft, N.H. 511 [ed. 1642].
- i. In spreekw., uitdr. en zegsw.
- a. Genoemd in verband met de vluchtigheid, de betrekkelijkheid, het niet-verbindende karakter van woorden, die immers geen relatie hebben met de werkelijkheid.
- — Alle woorden behoeven geen antwoorden e.d.
- Toute parolle ne quiert response Alle woorden en behoeuen gheen antwoorde, Spreeckw. (ed. KLOEKE) 48 [1549].
- Op yder vvoord gheen andvvoord hoort, de brune, Spreeckw. 472 [1636].
- — Dreigers woorden zijn maar veesten van de langgeoorde beesten, alleen domme menschen dreigen.
- de brune, Spreeckw. 320 [1636].
- — Woorden zijn goed, maar de eenden (vroeger: enden) leggen de eieren e.d., een woordspeling met woord (II) ‘woerd’, ‘mannetjeseend’ en end ‘einde’.
- SPIEGHEL 278 [1606]. GRUTERUS 1, 123 [1610]. MODDERMAN, Bijdr. Huishoudk. 83 [1852]. harreb. 1, 171 b [1858].
- Woor? bin? niks, een? leg? de aaier! TER LAAN [1929].
- — S. Laet dees onnutte sorgh u toch niet meer om 't hooft beyeren. T. De woorden syn wel goet, maar d'Eenden leggen d'eyeren, bredero 1, 259 [c. 1612].
- Eerst zou hij mij helpen, ja wel zoo meenig een Franschman, de woorden zijn goed, maar de Eenden leggen de eijeren …, vervolgens grauwde hij mij toe, als of hij mij in den goot had gevonden, en eindelijk wees hij mij het gat van de deur, gales, Twee Redev. 44 [1795].
- — Woorden wekken, exempelen (voorbeelden) trekken, een gezien voorbeeld spreekt meer aan dan moralistische praatjes.
- Bij liev.-coopm. [1607].
- — Woorden gaan niet in het lijf, hetz. als een woord is geen pijl.
- Die woerden en gaen int lijf niet. Verba cutem non laniant, ZEGER, Prov. A viij r° [1551]. GRUTERUS 1, 123 [1610]. DE BRUNE, Spreeckw. 101 [1636]. HARREB. 2, 32 a [1861]. v. elsen, Zegw. 351 [1914].
- — Woorden zijn geen oorden, praten brengt geen geld op, helpt niet veel.
- Woorden zijn geen oorden, enkele woorden of beloften zijn geene klinkende munt of geen afdoende bewijs, SCHUERM. [1865-1870]. rutten [1890].
- — 't Zyn woorden zonder oorden, bij liev.-coopm. [1739].
- ”Mouwvegen is bedriegn en fleemen is kruipen” … ”Woorden zyn geene oorden” schertste Kobe. ”Ieder is op de wereld om den zoon zyns vaders deugd te doen; en die wat vindt mag het oprapen”, consc., Baes Gansend. 18 [1850].
- Zeggen en is niets, woorden en zyn geen oorden, want … in den nood alleen kent men zyne vrienden, GEZELLE (ed. BAUR) 4, 461 [1866].
- ”Ge moet niet verlegen zijn, moederken,” — zei de heer — ”uwe dochter zal bij mij alles hebben, wat de hemel geven kan: lekker eten en drinken, alle dagen schoon gekleed gaan en in de koets mogen rijden.” ”Woorden zijn geene oorden,” peinsde het vrouwken, dat de heeren niet al te goed vertrouwde, DE MONT en DE COCK, Vl. Wonderspr. 22 [1896]. joos [1900-1904].
- Maar woorden zijn geen oorden, Volksbelang 2 Aug. 1913.
- — De woorden die men spreekt vliegen daarheen, maar die men schrijft die blijven, gesproken woorden zijn vergankelijk.
- bredero 3, 124 [161.].
- — Woorden en veeren vliegen daarheen, woorden zijn vergankelijk.
- SPIEGHEL 278 [1606]. GRUTERUS 1, 123 [1610]. tuinman 2, 218 [1727].
- — Woorden en pluimen vliegen met den wind mee, praatjes vullen geen gaatjes.
- Bij liev.-coopm. [1860].
- Woorden waaien weg als pluimen in den wind.
- U woorden waeyen wech als plumen in de windt, a. bijns, N. Ref. 155 [1525].
- — Wat men vastmaakt met zeggen, kan men met woorden weerleggen, wat men mondeling overeenkomt, is altijd weer mondeling ongedaan te maken.
- SPIEGHEL 278 [1606]. gruterus 1, 122 [1610].
- Bij LIEV.-COOPM. [1726]. harreb. 2, 482 a [1861].
- — Woorden zijn wijvekens, schriften zijn mannekens.
- rutten [1890].
- — Woorden in den wind, woorden die geen effect hebben, die niet verhoord worden.
- Dirckgien (hoord ick strack een' ander) Sel 't dan nummer wese, kind? Smackje staegh een oogh op Sander, En mijn' woordgies in de wind? huygens 1, 105 [1621].
- Ten minsten geve God dat uwe laetste woorden … Niet mogen zijn vergeefs gesproken inden wint, revius, Over-yss. S. 281 [1630].
- Bij LIEV.-COOPM. [1725]. v. elsen, Zegw. 351 [1914].
- — Woorden zijn maar woorden, wat er gezegd wordt hoeft niet overeen te stemmen met de werkelijkheid.
- Zeg toch aan de liên, (Woorden zyn maar woorden:) Ik heb 't zelf gezien, Schoon gy 't niet eens hoorden, wolff en deken, Econ. L. 3, 244 [1781].
- Het zijn maar woorden.
- SASBOUT [1576].
- — Woorden doen geen zeer.
- Wat scaet die aerde datter die mol in wroet. Laet ons drincken en poijen soe veel te meer, want haer keffen ons gheen hinder en doet. Men seijt gemeenlick, woorden doen gheen seer, Spul v.d. Siecke St. 20 [midden 16de e.].
- — Doe wel naar mijn woorden, maar ziet niet naar mijn daden, gezegd m. betr. t. iem. die het goede preekt, maar zich er zelf niet aan houdt (naar Matth. 23, 3 of Livius 7, 32).
- KUIPERS [1901].
- — Woorden als worsten, maar niet zoo vet, gezegd van iem. die opschept, een grooten mond heeft.
- HARREB. 3, LJ a [1870]. BOEKENOOGEN, Aanh. [1897]. DE VRIES, Westfri. Woorden [1909]. meertens e.a., Urk [1942].
- En een groote mond! Woorden als worsten, maar niet zoo vet, aant. v. N. BAKKER [1949]. schÖnfeld wichers [1959].
- Die windzak van 'n Jan-Jacob! glaoft'n toch nie:t, wôôrden as worsten enz., GHIJSEN [1964]. PANNEKEET, Mooi zoid [1971]. WOUDT achter BOEKENOOGEN [ed. 1971].
- — Veel (of: schoone) woorden vullen den zak niet e.d., praatjes vullen geen gaatjes; woorden helpen niet, er moeten daden gesteld worden.
- Veel woerden en vullen ghenen budel Bursa manet vacua vox licet ampla tua, Prov. Comm. 106 [Delft, c. 1495]. GOEDTHALS, Prov. 135 [1568]. TUINMAN 2, 218 [1727]. joos, Schatten 185 [1887].
- — Schoon woorden vullen gheen sack, Dat heb ick al wel bevonden, Hulp en bystandt my ghebrack Als ick dreef aende gronden, Geuzenliedb. 1, 173 [1573].
- 't Schreyen can geen tranen stelpen 't Spreken can my oick niet helpen Woorden vullen gheenen sack, huygens, Ged. 1, 121 [1618].
- Woerden vullen hier geen sack, En noch minder holle maeghen: Och myn benen zyn soo swack, Datse 't leege Lyf naeuw draegen, v. overbeke, Rymw. 209 [c. 1670].
- Dat luyde met den Ezel te roepen geen eere en is, noch dat veel woorden geen sacken en vullen, bij liev.-coopm. [1690].
- Ook: daar gaan veel woorden in een zak.
- Daar gaan veel woorden in een zak, SPIEGHEL 279 [1606]. GRUTERUS 1, 95 [1610]. v. nyenborgh, Weeckw. 132 b [1657].
- ß. Genoemd in verband met de kracht, de uitwerking, het karakteristieke van (goedgekozen) woorden.
- — Zijn woorden op een goudschaaltje wegen, vooraf zorgvuldig overwegen wat men gaat zeggen en nauwkeurig zijn in het uitdrukken van zijn gedachten. Naar Jezus Sir. 21, 27 en 28, 29.
- Zijn woorden op een goudschaaltje wegen, TER LAAN, Spreekw. [1979].
- — De wijze weegt (met scherp gezicht) zijn woorden met een goudgewicht.
- CATS 1, 581 b [1632]. BOGAERT, Toegep. Spreekw. 93 [1852]. v. elsen, Zegw. 351 [1914].
- — De woorden maken de koopmanschap, goedgekozen bewoordingen bevorderen den handel.
- GOEDTHALS, Prov. 91 [1568]. GRUTERUS 3, 132 [1612]. harreb. 1, 434 b [1858].
- — In kruiden, steenen, woorden ligt de kracht e.d., in toep. op tooverwoorden.
- La vertu est aux herbes, aux pierres et aux parolles De cracht leyt in de cruyden, steenen, ende woorden, Spreeckw. (ed. KLOEKE) 28 [1549]. GOEDTHALS, Prov. 67 [1568]. GRUTERUS 3, 154 [1612]. harreb. 1, 232 b [1858].
- — Waar een man alleen is, daar zijn de woorden maar half e.d., een man (een mensch) heeft iem. noodig om van gedachten te kunnen wisselen.
- Daer een man is daer es maer een half tale, Prov. Comm. 54 [Delft, c. 1495].
- Eyns mans rede eyn halff rede, 55 [Deventer, c. 1495].
- Waer een man alleen is, daer sijn de woorden mer half, Gem. Duytsche Spreckw. (ed. KLOEKE) 58 [1550].
- — Zoo de man is, zoo zijn zijn woorden; de woorden geven den man te kennen.
- So die man is, so sijn sine woorden. Effoeminatorum etiam oratio effoeminata, servilius 49 a [1545].
- De woorden geven den man te kennen, de brune, Bank. 1, 27 [1657].
- — Tot vuile woorden, doove ooren, tot harde paarden, scherpe sporen.
- Tot vuyle woorden, doove ooren; Tot harde peerden, scherpe spooren, de brune, Spreeckw. 107 [1636].
- — Men zou liever van den een slagen dan van den ander schoone woorden verdragen.
- GOEDTHALS, Prov. 100 [1568]. GRUTERUS 3, 161 [1612]. MEIJER, Spreuken 100 [1836].
- — Tusschen vrienden zijn maar twee woorden, vrienden hebben maar een korte aanduiding noodig om elkaar te begrijpen.
- Entre deux amis na que deux parolles Tusschen twee vrienden en sijn maer twee woorden, Spreeckw. (ed. KLOEKE) 14 [1549].
- — Luttel woorden en veel zin, veel weten is beter dan veel spreken; ook (?): je moet iets probeeren te zeggen in weinig woorden die veelzeggend zijn.
- Luttel woorden en veel sins. Plus scire satius est quam loqui, ZEGER, Prov. C j r° [1551]. gruterus 2, 155 [1611].
- Mergh d. Ned. Spreeckw. 2, 32 [1644].
- In de variant: in luttel woorden veel bescheid e.d.
- GOEDTHALS, Prov. 136 [1568].
- In luttel wyse woorden vintmen veel bescheets, GRUTERUS 3, 152 [1612]. harreb. 1, 49 b [1858].
- Het tegendeel wordt uitgedrukt door veel woorden, weinig bescheid e.d.
- In veel woorden vastigheyd, Daer van is niet veel bescheyt, de brune, Spreeckw. 280 [1636].
- Veel woorden, weynigh bescheyd, de brune, Bank. 1, 187 [1657].
- of door: waar veel woorden zijn daar hoort men de zotten.
- Laet uwer woorden weinich zijn, want waer vele sorge, is daer zijn vele dromen, ende waer vele woorden sijn, daer hoortmen den sotten, Bijbel v. Liesveldt, Ecclesiastes (Pred.) 5 A [1526].
- . In eenige spreekw. waarin sprake is van goede, schoone woorden.
- — De woorden zijn goed, zei de wolf, maar ik kom niet in het dorp, gezegd als iemand zich niet door mooie woorden laat verlokken tot iets onverstandigs.
- TUINMAN 2, 217 [1727]. BOGAERT, Toegep. Spreekw. 102 [1852]. modderman, Bijdr. Huishoudk. 37 [1852].
- — Ik sla mijn vrouw met goede woorden, zei de man, en hij sloeg haar met den Bijbel.
- Aant. v. A. BEETS [c. 1900].
- — Goede woorden zalven, de kwade steken e.d.
- Les bonnes parolles oignent Les meschantes poignent Goede woorden saluen De quade steken, Spreeckw. (ed. KLOEKE) 31 [1549]. DE BRUNE, Spreeckw. 107 [1636]. harreb. 2, 480 b [1861].
- — Voor geld en goede woorden, tegen betaling en voor vriendelijke woorden.
- Voor geld en goede woorden kan men overal te regt komen (of: is er nog al wat te koop), harreb. 1, 223 a [1858].
- — ”Barend!” zei de heer Kegge, ”ik moet een mooien ruiker bloemen hebben”. ”Dat zal slecht gaan, meheer Kegge”, antwoordde Barend. ”Voor geld en goede woorden, Barend!” hernam Kegge; ”'t kan me niet schelen wat het kost; je weet wel dat ik op geen kleintje zie”, BEETS, C.O. 160 [1840].
- Het is niet te krijgen voor geld, noch voor goede woorden, harreb. 3, IV a [1870].
- — Geef hem goede woorden en reken ze hem duur genoeg e.d., beloon hem met vriendelijkheid in plaats van met geld.
- Geeft hem guede woorden, ende reeckentse hem duyr genoech, Gem. Duytsche Spreckw. (ed. KLOEKE) 27 [1550]. harreb. 2, 480 b [1861].
- — Teghenwoordig, heerschop, en heb ick geen geld, Sal ick seggen met soete woorden, en rekense hem duer ghenoeg, v. santen, Lichte W. D j v° [1617].
- — Hij geeft hem goede woorden voor zijn geld e.d., hij beloont hem met vriendelijke woorden in plaats van met geld.
- Hy sprack hem soo vriendelijck toe alst paste, En heeft hem menighe cluchte vertelt. Schoon worden, dacht dander, en ghelden geen ghelt, crul, H. de L. enz.) 11 [c. 1540].
- Hy geeft hem guede woorden, voer sijn gelt, Gem. Duytsche Spreckw. (ed. KLOEKE) 27 [1550].
- Geeft gheen schoen woorden voor tgelt, SARTORIUS II, 6, 91 [1561].
- In een variant.
- Schoone woorden voor het meel, Die en kosten niet zeer veel, DE BRUNE, Spreeckw. 101 [1636]. gheurtz, Adagia 16 b [1552].
- — Goede woorden kosten geen geld e.d., een vriendelijk woord doet veel goed en het kost niets.
- Goe' woorden die en costen niet, 't Is wonder, dats' oyt yemand liet, de brune, Spreeckw. 23 [1636].
- Goede woorden kosten geen geld, V. WAESBERGE, Vrijen in Schied. Alm. 1839, 66.
- — Schoone woorden maken zotten blij e.d.
- Scoen woerden maken sotten blide Letatur stultus dum sermo datur sibi cultus, Prov. Comm. 92 [Delft, c. 1495]. GOEDTHALS, Prov. 70 [1568]. gruterus 3, 168 [1612].
- Men paeyt den zot Met schoone woorden op een bot, DE BRUNE, Spreeckw. 23 [1636]. werda, Ned. Spreekwdb. n° 2297 [1937].
- d. In eenige spreekw. e.d. waarin woorden i.v.m. geld of betalen worden genoemd.
- Met goede woorden betalen. Dicta docta pro datis dare, ZEGER, Prov. C iij r° [1551].
- — Argenti fontes loquuntur … Sijn woorden clincken vanden gheldt. Hy spreeckt gouden reden, SARTORIUS II, 3, 87 [1561].
- — Schoone Woorden voor vuyl Gelt Maken menigh man ontstelt, burghoorn, N. Wer. v. Gecken 23 b [1641].
- Schoone woorden en vuil geld, harreb. 3, XLVJ a [1870].
- — Een woordje op zijn pas is zoo goed, en beter somtijds, als geld in de kas, Spreekw. in Euphonia 6, 514 [1819].
- — Wie meest van geld spreekt, vertelt maar woorden, harreb. 2, XLVJ a [1861].
- — Dat woord is geld waard, 3, XLV b [1870].
- — Woorden kosten (toch) niets; woorden kosten geen geld, zie de tweede aanh.
- Woorden en kosten niet, v.d. venne, Taf. v.d. B.W. 96 a [1635].
- ”Woorden kosten geen geld”: Tot iemand die, aleer zelfstandig te handelen, ”wel eerst eens had kunnen vragen, of 't goed gedaan was. Waarom heb je 't niet eerst eens gevraagd, of ik 't goed vond? Woorden kosten (toch) geen geld!” aant. v. A. BEETS [c. 1900].
- e. In eenige minder frequente spreekw., waarin woorden tgov. daden, werken of zaken gesteld worden.
- 1°. Tgov. daden.
- Wat zijn woorden zonder daet? Niet als leughens zonder baet, de brune, Spreeckw. 230 [1636].
- — Woorden dat is niet ghenoegh, Alsm' het werck niet by en voegh, Ald. — Woorden zijn vrouwen, daden zijn mannen, de brune, Bank. 1, 204 [1657].
- — In de gezelschappen zelven drinkt men bier; zoodat de Goettingsche geleerden niet, even als zo vele anderen, behoeven te zeggen; ”Ziet naar mijne woorden niet naar mijne daden”, falck, Br. 108 [1799].
- — Woorden en daeden, elkander verraeden, bij LIEV.-COOPM. [1801]. v. elsen, Zegw. 351 [1914].
- 2°. Tgov. werken.
- Die woerden sijn goet vervolghen hem die wercken Verbum laudatur dum factum tale sequatur, Prov. Comm. 56 [Delft, c. 1495]. harreb. 2, 453 a [1861].
- — Les faict sont masles, les parolles femelles De wercken sijn mannen, de woorden sijn vrouwen, Spreeckw. (ed. KLOEKE) 31 [1549].
- — Belles parolles et meschans faics, trompent sotz et saiges clercz Schoon woorden ende quade wercken, bedrieghen de dwase ende de wijse clercken, 5 [1549]. harreb. 1, 414 a [1858].
- — Hy bewijsdet niet alleen mitten woorden, mer oock mitten wercken, Gem. Duytsche Spreckw. (ed. KLOEKE) 16 [1550].
- — Wt quaede woorden commen quade wercken, bij liev.-coopm. [1607].
- — Veel te voldoenigh met woorden, vol-doet selden met wercken, v.d. venne, Taf. v.d. B.W. 202 a [1635].
- — Vele woorden, weynigh wercken, Dat is over al te mercken, de brune, Spreeckw. 6 [1636].
- — Op goede daghen, goede wercken, En woorden om het hert te stercken, 7 [1636].
- — Woorden zonder wercken, de brune, Bank. 1, 96 [1657].
- Doet naar mijne woorden, maar niet naar mijne werken: want zeggen en doen zijn twee, en de natuur gaat boven de leer, Alm. Holl. Blijgeest 1834, 50. LAURILLARD, Spr. a.d. B. ontl. 64 [1875].
- — Woorden van een engeltje, werken van een duiveltje, harreb. 1, XLVIIJ a [1858].
- — Luistert niet naar woorden, ziet eerst de werken, Schild en Vrind! Volksalm. 1866, 8 Jan. — Niet aan woorden maar aan werken Moet men iemands liefde merken, v. elsen, Zegw. 351 [1914].
- 3°. Tgov. zaken.
- Een zaeck van recht en reden bloot, Heeft stercke woorden zeer van nood, de brune, Spreeckw. 2 [1636].
- Geene woorden maar zaken, V. HALL, Ned. Spreekw. in N. Bijdr. Regtsgeleerdh. en Wetg. 3, 310 [1853].
- — Een goede zaak behoeft niet vele woorden, harreb. 2, 480 a [1861].
- Zulke zaken, zulke woorden, als verheven of lage zaken den geest vervullen zullen de woorden ook verheven of laag zijn.
- Zulcke zaecken, zulcke woorden. De glans van zaecken gheeft luyster aen de tale, en fraye ghedaghten volght keur van woorden. Als goede dinghen den gheest vervult hebben, de woorden zullen die stracks om-helzen, DE BRUNE, Bank. 1, 242 [1657]. harreb. 2, 482 b [1861].
- 4. In sommige contexten verliest woorden zijn substantivische bet. van ‘begrensde taaluiting’ en krijgt het den werkwoordelijken inhoud van `het spreken', ‘het praten’ (‘het schrijven’) of het middel dat den mensch ten dienste staat om zijn gedachten of gevoelens kenbaar te maken: de spraak, de taal.
- a. In vrij gebr.
- Een goede … redene met boerachtige woorden … wtgesproken es ghelijcke een eerbaer persoon met snooden abijten gecleet, V. MUSSEM A viij r° [1553].
- Het en zijn niet de woorden die de siecten genesen, maer de remedien, parÉ-battus, Chirurgie 899 b [1604].
- Wie scheit de blyde Poëzye, En schoone schilderkunst, twee zusters zoet van aert? … Wie scheit penseel en pen, de verwen en de woorden, En scheurt dien nutten bant? VONDEL 4, 16 [1644-1645].
- Sondigen soodanige menschen, die Ledematen zijnde, nochtans Spijtigh, trots, en groots zijn in haer gelaet of wesen, woorden, ende omgangh, j. hondius, Swart Reg. 392 [1679].
- Door de woorden bestaat de verkeering onder de Menschen, zynde de beeltenisse der Ziele en de banden die de Herten verknochten, V. LAAR, Ceremonie-boek 235 [1ste h. 18de e.]. O Had ik woorden! had ik klanken! had ik kracht! Hoe werd des Handels lof door mij in 't licht gebragt! helmers, Nag. Ged. 2, 32 [c. 1800].
- Mij naar alles stil te voegen, Hoe veracht en bitter 't schijn', Zonder woorden, met genoegen, Aller knechten knecht te zijn, Evang. Gez. 67, 1 [1806].
- Ach, wanneer het niet zoo moeilijk was met woorden over deze dingen te spreken, zoodat men elkaar begrijpt, hoe gaarne had ik hun dan eens gevraagd, wat het nu toch was, dat hen zoo geboeid had, leopold 2, 443 [1900].
- — Woorden tusschen, een gesprek tusschen.
- Meer is waerachtich, dat tusschen dese gedaechde ende den eysscher ter cause van dien woorden zijn geweest, die dese gedaechde genouch in boerte ofte spele verhaelde, Kenningb. Leiden 1, 253 [1572].
- — Nou al woorden genoeg! genoeg gepraat!
- Nou al woorden genoeg, zegt hem, dat hy, om zaaken Van groot belang, moet met zijn Dienders voort met jou gaan, LEMMERS, Boere Koopman 17 [1682].
- b. In verb., als obj. van een ww.
- — Iemands woorden afsnijden, iem. de woorden afsnijden, hem beletten verder te spreken door hem in de rede te vallen. Zie Dl. I, 1471.
- — Woorden hebben (met).
- 1°. Een gesprek hebben (met), spreken (met), praten (met).
- Wiert dien naermiddagh dat wy daer rusten een hart gevangen ende by ons gebraght, aten dien avont daervan, hebben dien dagh geen sonderlinge woorden met den Tommagon gehadt, in de jonge, Opk. 4, 291 [1622].
- Ende hy (Jezus) quam te Capernaum, ende in het huys gecomen zijnde vraeghde hy haer, Waer van hadt ghy woorden onder malcanderen op den wegh? Doch sy swegen: want sy waren onder malcanderen in woorden geweest op den wegh, wie de meeste soude zijn, Statenb., Marc. 9, 34 [ed. 1637].
- 2°. Onderhandelen.
- Den Vice-Admirael was by den grooten Coningh in sijne Galye geweest, die hem met een schoone Crits vereerde, hem seer bedanckende dat hy sijne vyanden van sijnen Oever ende uyt de Reviere verdreven hadde: Oock heeft den Vice-Admirael woorden wegens leveringe van Peper ghehadt, 't welcke de Coningh toe seyden in weynich maenden te connen geschieden, Begin e. Voortg. 11, 40 b [ed. 1646].
- Woorden en communicatie hebben op, gezamenlijk onderhandelen over.
- Mit hem beraden om te weten, hoe ende in wat manieren dat men … zekere quantiteyt ende getal van vellen in der stede zouden moegen gecrigen, updat den armen, schamelen ambochtsman zijn broot mochte winnen ende eetende blyven, ende onder andere woirden ende communicacie dairup gehadt, zoe is gesloten, dat enz., R.G.P. 14, 301 [1519].
- — Geen woorden hebben om, het genoemde niet in taal tot uitdrukking kunnen brengen.
- Ik heb thans geen woorden om U te antwoorden op zulke hartelijke betuiging van vriendschap, willems, Br. 107 [1831].
- — Zijn woorden inhouden, ophouden met spreken.
- De Overste hielden de woorden in: ende leyden de hant op haren mont, Statenb., Job 29, 9 [ed. 1637].
- — (Veel) woorden maken, (veel, lang) praten, spreken.
- Ende als ghi bit zoo en sult ghi niet veel woorden maken, gelijc die heydenen, si meynen dat si verhoort werden als si vele woorden maken, Bijbel v. Liesveldt, Matth. 6 B [1526].
- Gy souwt seggen, dat sy de kroon van schoonheyt draacht! Wat is het doch van noodt veel woorden hier te maken, bredero 2, 71 [1615].
- Om een glaesje te drincken ben ick een moy wijff. Maec niet veel woorden, lap het slechs in jou lijff. Want ick wachter na, v. santen, Lichte W. B iij v° [1617].
- Ten laetsten quam des Conincx Broeder mede over, settende hem nevens de Hollanderen, sonder veel woorden te maecken, dadelijcken weder sijn af scheyt nemende, Begin e. Voortg. 11, 42 a [ed. 1646].
- H. had my belast alle de slotels van de Pastorie en Kerke by my te houden, zy (t.w. de ”Rebellen”) hebben my zulks verboden by zoo verre, dat ik veel woorden moest maeken om de slotels der Sacristie en Kelk-kasten te behouden, VERVISCH, Lev. 3, 164 [1791].
- Hij schijnt geen affaire te hebben; maar wat kan mij dat scheelen! ik heb er nog nooit aan gedacht, voor dat men zo veele woorden over hem gemaakt heeft, wolff en deken, Wildsch. 1, 356 [1793].
- c. Als subj. van een ww.
- — De woorden ontbreken mij, om dat uit te drukken, ik kan dat (gevoel) niet in taal tot uitdrukking brengen.
- Dat gevoelige, 't welk myne Godvruchtige oogenblikken tot hemelsche genietingen verhoogt … woorden ontbreeken my, om dat uit te drukken, WOLFF en DEKEN, Leev. 2, 202 [1784].
- Ik heb dezen nacht zoo veel uitgestaan, mijn kind, dat de woorden mij ontbreken om het uit te drukken, bohn-beets, Onze Buurt 209 [1861].
- d. Als deel van een voorz.-bep.
- — Bij woorden, mondeling.
- Mijn Heer den Cardinael heeft oock hier door geexcuseerd aen den Ambassadeur van Sweden, dat men hem de lichtinge van eenigh volck alhier niet toe en staet, hoewel sulcx bij tractaet ende daernae bij woorden belooft was, soo hij seit, DE GROOT in m. v. reigersb., Br. 284 [1631].
- Obligatio verborum, verbintenisse by woorden of door woorden, mondelinge verbintenisse, mondelinge toesegging, koerbagh, Wdb. Regten 173 [1664].
- — Bij de woorden zijn, welbespraakt zijn.
- ghijsen [1964].
- — Door woorden, mondeling.
- Toezegging geschied uitdruckelick ofte door wetduiding: uitdruckelick door woorden, of schrift, DE GROOT, Inl. 111 a [1631].
- Door woorden uitdrukken.
- Verder kan het voorkomen dat spelers in spelopgewondenheid minder vriendelijk tegenover elkaar zijn en dit niet door daden — ze zouden dan onder eene andere strafbepaling vallen — maar door woorden uitdrukken, groothoff, Scheidsr. 38 [1909].
- — In woorden, mondeling.
- Nogtans hadde ik sulks niet in de brief van de Prins aan Lynden gevonden, dog wel door de Prins in woorden aan mij gesegt, v. hardenbroek, Gedenkschr. 3, 74 [1781].
- — In woorden en gebaren, wat betreft taal en gebaren.
- Wat schuw in den omgang, en niet zoo lawaaierig-robuust in woorden en gebaren als de andere vrouwen, hartog, Sjofelen 16 [1896].
- — In woorden brengen, in taal tot uitdrukking brengen.
- Hij schudde dan ook ontkennend zijn hoofd, maar toch, hij zag haar slechts glimlachend aan, hij kwam niet verder; zijn vraag scheen dan wel moeilijk in woorden te brengen, voor iemand, die zoo ratelen kon? couperus, E. Vere 1, 207 [1889].
- Maar toen zij bij de oude vrouw kwam, vond zij hare vermoedens over Vincent zoo moeilijk in woorden te brengen, dat zij niet tot de biecht besluiten kon en wegging zonder zich geuit te hebben, 2, 130 [1889].
- — Iem. in zijn woorden vallen, iem. in de rede vallen, iem. onderbreken.
- De Medecijn in zijn woorden vallende, keerde hem om tegens Bruyn, ende seyde: ziet doch enz., coornhert, Boccat. 95 a [1564].
- Een sprekende valt niet inde woorden, comenius, Deure d. Talen 243 [1642].
- Doch zy verstiet dien troost des huichelaers, en viel Hem t' elckens in zijn woort, dat hy met schrift verbloemde, VONDEL 5, 491 [1646].
- Willem, (zei Mama,) is dit zo al, als het betaamt? moet men zo opvliegen! dagt gy niet? … Hy viel haar driftig in de woorden: Ik dagt niet, Mevrouw, dan om een braaf Meisje recht te bezorgen, WOLFF en DEKEN, Leev. 2, 209 [1784].
- Ook: in iemands woorden vallen.
- Je valt zo schielyk in myn' woorden, En wilt je zelven, eer je 't end hoort, al vermoorden, LANGENDIJK 2, 337 [1715].
- De Prins valt hier in haare woorden, En vraagd, wat toond dees' schildery, v. haren, Aan het Vaderland 100 [ed. 1769].
- — In iemands woorden varen, iem. in de rede vallen, iem. onderbreken.
- In yemants reden, woorden vaeren, sinen snaeter daer in slaen …, Loquentem interpellare, berckelaer S ij r° b [1556].
- Op dat sy niet en souden varen in myn woorden, in Verz. GEZELLE [1624].
- — In woorden vatten, in taal tot uitdrukking brengen.
- Met de scherpste bestraffing, die in woorden te vatten is, zond zij H. naar Den Haag, fruin, Geschr. 3, 159 [1862].
- — In woorden zijn.
- 1°. Disputeeren, discussieeren.
- Ende een der Schriftgeleerde hoorende dat sy (Jezus en de Sadduceeën) te samen in woorden waren, ende wetende dat hy haer wel geantwoort hadde, quam tot hem, ende vraeghde hem enz., Statenb., Marc. 12, 28 [ed. 1637].
- 2°. In mondelinge onderhandeling zijn.
- TER LAAN [1929].
- — Met woorden (bekijven, injurieeren, strijden, verwijten).
- Soe wie buijten jugemente ijemant injurieert met woorden al eest ooc metter waerheijt, die wordt gecondempneert die injurie te reparerene met woorden oft andersins … Maer sulcken woorden, die waerachtich sijn gesproken in jugemente en maken gheen injurie, wielant, Pract. Crim. 178 [1503-'16].
- Vvat scheerpicheyd useerde Phylistus in tstrijden Met worden: niemend en coesten controleuren, de castelein, Const v. Rhetor. 10 [1548].
- ”Zoo? heeft hy u dan met woorden bekeven?” vroeg de meid verwonderd. ”Dit is wat nieuws: hy is niet gewoon veel te spreken”, consc., Kwael d. T. 1, 13 [1859].
- Hoe was het mogelijk, dat papa sedert dien dag, dat hij zijn ontslag genomen had, nooit iets anders had gedaan, dan geklaagd over die gebroken carrière, ze mama of stilzwijgend, of met woorden, had verweten, en in Brussel alleen wat had kunnen scharrelen in wijn en assuranties, couperus, Kl. Z. 2, 156 [1901].
- — Met woorden en gebaar, met behulp van taal en gebaren.
- Hoe licht bedanck ick God, hoe licht vereer ik hem Met woorden en gebaer, met handen en met stem, huygens, Ged. 8, 115 [1674].
- — Onder woorden brengen, in taal tot uitdrukking brengen.
- Wat er in deze dagen in mijn hart omgaat, lieve Anna, laat zich niet beschrijven, kan ik onder geene woorden brengen, bohn-beets, Onze Buurt 219 [1861].
- Hoe kan 'n ander zeggen, Wat ik niet onder woorden brengen wil! multatuli 6, 87 [1873].
- Het mooie boek van H.D. … toont welke diensten de photographie ons hier kan bewijzen, om de niet onder woorden te brengen gebaren in beeld vast te leggen, V. GINNEKEN in N.Tg. 3, 93 [1909].
- — Groot van woorden (zijn), welbespraakt (zijn).
- BERCKELAER [1556]. DASYP. [1556].
- — Weinig van woorden zijn, niet veel zeggen.
- Eenige Portugesen (sijn) tot de Hollanders gecomen, om eenige Waren van haer te coopen, maer also die niet voorts ontfanghen wilden, ende heel weynich van woorden waren, soo wiert gespeurt haer sulcx geen ernst te wesen, Begin e. Voortg. 11, 46 b [ed. 1646].
- — Zonder woorden, stil, zwijgend.
- Stil, zonder woorden, liepen zij op en neêr, wachtende op den trein, couperus, Kl. Z. 1, 141 [1901].
- B) In eenige gespecificeerde of pregnante bet.
- I) In het enk. Het is op zich mogelijk dat bij enkele van deze bet. een mv. voorkomt, doch deze mv. -vorm is in het materiaal niet aangetroffen.
- 5. Mondelinge toezegging om iets te doen, te geven of na te laten, belofte.
- a. In het alg.
- Hemel, eerde, selen vergaen vervlieghen Maer heere, u woert en mach niet lieghen, j. v.d. dale 119 [c. 1516].
- Claes de Metselaer maekt'er niet af. Hy blijft in gebreke van over te komen, niet tegenstaende zijn woordt, ende twee brieven sedert geschreven, HOOFT, Br. 2, 150 [1631].
- Die van Alkmaar … versloften nu langer het sterken hunner vesten, en opdoen van voorraadt niet. Ook was hun vergelding van kosten by zyn' Doorluchtigheit toegezeit. Doch hadden zy 't echter quaadt genoegh, om, voor de betaaling van mout en kooren t' hunnen behoeve, 't woordt der Noordthollandsche Staaten te verwerven, hooft, N.H. 320 [ed. 1642].
- Ik weet, dat wat wij doen zullen, regt is, en, mijn woord is mij heilig, ik zal geen voetbreed wijken, mulder, J.F. 2, 86 [1857].
- b. Als obj. van ww.
- — Zijn woord breken (verbreken), zijn belofte niet nakomen.
- Wij vraechden hem wiens gelt dat het was ende Regemorter seijde dat het seijn eijgen was ende, indien hij sijn woort brack, soo wilde Regemorter dat op sijn ziele nemen, Daghreg. Bat. 1657, 148.
- Het misleiden van een ander, het liegen en woordbreeken is niet ongelyk aan nieuwe uitvindingen van oorlogs-geweer, Verh. Holl. Maatsch. Weet. 5, 502 [1760].
- P. Licht dat hy ons vergat en daar een pijp bleef rooken. D. Neen. — Nooit heeft hy het woord, dat hy eens gaf, verbroken. 't Moet iets gewichtigs zijn, dat hem weêrhoudt, v. lennep, Poët. 5, 31 [1826].
- Nu gy wat slyk geërfd hebt, slyk dat men geld noemt, nu wilt gy niet alleen, als een ondankbare, uw plegtig woord breken; maer gy besmet den goeden naem myner verloofde, consc., Baes Gansend. 78 [1850].
- Zij was heengeijld, in het boschje. Toegeven? haar woord breken? Nooit. Maar wat was ze ongelukkig! loveling, D.E. 164 [1891].
- — Zijn woord gestand doen, zich aan zijn belofte houden.
- Zijn woord ghestand doen, de brune, Bank. 1, 276 [1657].
- En wat bekwam de jongeling van zijne geliefde? Deze zou nog eenige dagen op zijn besluit wachten; bleef hij weigeren, dan zou ze onweerroepelijk haar woord gestand doen, vaarwel zeggen aan alles, wat ze liefhad, teirl.-stijns, Arm Vl. 2, 334 [1884].
- — Zijn woord geven (schenken), een belofte doen.
- 't Luydt redenloos en onbeleeft, Een ding te houwen datmen geeft: Maer niettemin, in goeder trouwen, Een die sijn woord geeft moet het houwen, huygens, Ged. 8, 237 [1678].
- Dat men altoos zyn woord, het geen men eens gegeeven heeft, getrouwelyk moet houden, ten opzichte van wie en in wat zaak het ook wezen mag, V. LAAR, Ceremonie-boek 253 [1ste h. 18de e.]. Waarom vleit gy my met uw gegeeven woord te zullen herroepen, om het dan aan my te schenken? Aanh. op WOLFF en DEKEN, Leev. 270 [1786].
- Spreek, Richard! spreek: gij gaaft me uw woord: Hebt ge aan uw woord voldaan? tollens 4, 126 [1820].
- Het woord dat hy gegeven had, Om van zijn zending niet te spreken, Was hem, toen Eggert binnentrad, Op eenmaal voor den geest gekomen, v. lennep, Poët. 2, 82 [1829].
- ”Geeft ge mij uw woord geen gebruik te maken, van wat ik u zeggen zal?” ”Weêr halfheid;” zei Havelaar; ”doch, goed! Ik geef mijn woord”, multatuli, Max Havelaar 2, 162 [1860].
- En de polka vóor de pauze en de valse na het souper? En de cotillon? Alles voor me opengehouden? Ja, alles! antwoordde zij blozend, ofschoon je het volstrekt niet verdient. Maar ik blijf trouw aan mijn eens gegeven woord. En je ziet, al mijn andere dansen heb ik weggegeven, couperus, E. Vere 2, 245 [1889].
- — Zijn woord geven voor, zich garant stellen voor.
- Hij is een jonger broeder, soedat ic hem met hondert £ hebbe moeten helpen, daer oyc den voirs. grave bij sijne brieven sijn woort vooren gegeven heeft, R.G.P. 108, 118 [1605].
- — Zijn woord houden, zich aan zijn belofte houden.
- De gheestelicke, zeer vreesende van die Calvinisten gherooft ende om den hals ghebrocht te zijne, hadden ghezeijt ende ghebeden: weert ons dese vijanden, wij zullen mede in de assijsen der stadt ghelden ende contribueren als ander ghemeene lieden; maer dat woort en hilden zij niet, v. vaernewijck, Ber. T. 2, 145 [1567].
- Haer Liefde heeft mijn reden so t'onder ghedreven, Dat versuft in haer schoonheyt t'aenschouwen, So hertneckich mijn beloofde woort sal houwen, Dat ick na ander te sien my niet sal begheven, VISSCHER, Brabb. 140 [ed. 1614].
- Jy luy en houtje woort niet dan by gheval, hooft, Ged. 2, 287 [1616].
- Madame Visquerot gaf haar woord — en voor eene fransche vrouw, quid mirum! zij hield haar woord, loosjes, Bronkh. 5, 3 [1807].
- Reeds beloven al die blaadjes Ons de vruchten van de zaadjes: Lieve bloesems! houdt uw woord, tollens 2, 144 [1813].
- Zijn wij ontrouw, hij (Jezus) houdt zich aan zijn woord, want hij kan zich zelven niet verloochenen, Leidsche Vert., 2 Tim. 2, 13 [1912].
- — (Vl.-België) Zijn woord eten, zich niet aan zijn belofte houden.
- SCHUERM., Bijv. [1883]. CLAES, Bijv. op TUERL. [1904]. TEIRL. [1922].
- — Zijn woord staan, zijn belofte nakomen.
- de bont [1958].
- — 't Eerste heb ick gheseyt, ende sta mijn woordt als noch, 't leste is mij noyt in den sin ghekomen, uytenbogaert, Br. 1, 27 [1595].
- Mijn woordt, laestmaels gesprooken inter scyphos, stae jk noch nuchtren: ende koom mijn vertrouwen op U Ed. goede geneghenhejt t'mywaerts bewijzen met werken, HOOFT, Br. 4, 1 [1640].
- Deez' (t.w. Jan Blanco) een stout stuk boefs …, zwoer dat hy 's anderen daaghs in stadt zouw zyn, al moest' het hem 't leeven kosten; en stond zyn woordt. Want, hebbende … ladders rechten aan de poort van Sante Katryne, steegh hy gezwindt om hoogh, en daalde … ter andre zyde needer, hooft, N.H. 393 [ed. 1642].
- Want teghen eenen, die syn woort niet en staet, is niet te redencavelen, bij liev.-coopm. [1683].
- — Iem. zijn woord teruggeven, iem. ontslaan van een belofte.
- Da Costa had mij mijn woord teruggegeven. Zijn Kristendom was niet meer geheim, maar mocht niet verbreid worden dan waar het pas gaf, w. de clercq, Dagb. 1, 225 [1882].
- — Zijn woord door zijn gat trekken, zijn belofte niet nakomen. Gewest. in Vl.-België.
- CORN.-VERVL., Aanh. [1906].
- — Zijn woord verpanden, zijn belofte geven.
- 'k Heb Frankrijks Vorst mijn woord verpand, Dat ik dit wichtig perkament Zoû stellen in uw hand, v. lennep, Poët. 3, 196 [1831].
- c. Als deel van een voorz.-bep. of oorzakelijk voorw.
- — Zijn woord getrouw zijn, zijn belofte nakomen.
- Dat Luikesneef volstrekt niet op kwam dagen. Men zei hem wel, dat dees, zijn woord getrouw, Op 't bruiloftsmaal zich vast bevinden zoû, v. lennep, Poët. 7, 24 [1827].
- — Iem. aan zijn woord houden, verlangen dat hij doet wat hij beloofd heeft.
- Ik houd u bij (of: aan) uw woord, harreb. 2, 481 b [1861].
- Genoeg! je hebt nu eenmaal verklaard, de schikkingen aan mij over te laten, en ik hou je aan je woord, v. lennep, K. Zev. 1, 189 [1865].
- Goed, dat is tenminste eene belofte! sprak Théodore onverbiddelijk. En ik hoû je aan je woord, hè? Niet waar, geef je me je hand er op? couperus, E. Vere 2, 92 [1889].
- Maar aan wien van dit alles de schuld? Zeker niet aan hem, dien men geen woord houdt, dien men beleedigt door hem het geld te weigeren, dat men hem beloofd heeft en waarop hij heeft gerekend, fruin, Geschr. 2, 153 [1897].
- — Bij zijn woord blijven, zich aan zijn belofte houden.
- Dat's waar: maar alze nu eens blyven by haar woord, varenhorst, Holb. Schoenl. 21 [1715].
- — Iem. bij het woord vatten, iem. aan zijn belofte houden.
- Heeft U Ed. Gestr. my des aengeboden, zy is nojt, dat my gedenkt, daerop beslaeghen. Al had jk haer ook schoon by 't woordt gevat, zoo zoude my echter die miltheit verplichten, om uwer Ed. Gestr. moeten en moejte quijt te schelden, HOOFT, Br. 3, 27 [1635].
- Burghermeesteren … raakten met hem (t.w. met den schout) in woorden (t.w. ”oover de kleenheit zyner wedde”); mits het wassen der welke hy entlyk uitviel, liever 't rappier te willen neederlegghen, dan op den ouden voet, te dienen. Meester Henrik … vat hem by 't woordt: zulx hy, daar meede teffens uit der kaamere en zynen dienst scheidde, hooft, N.H. 57 [ed. 1642].
- — Op zijn woord staan, zich aan zijn belofte houden.
- Voorts gelijck het eerlijck is, dat men staet op sijn woordt ende betrouwt enckelijck op sijn segghen, bij liev.-coopm. [1673].
- — Van zijn woord zijn, zijn belofte nakomen. Gewest. in het Z.
- JOOS [1900-1904]. CORN. VERVL. [1903]. LIEV.-COOPM. [1953]. de bont [1958].
- — Gy zyt precies van uy woord gelyk en peerd van zyn scheeten zyde, bij liev.-coopm. [1814].
- d. In zegsw. en spreekw.
- — Hij houdt zijn woord als het weer in April, hij houdt zich niet aan zijn belofte.
- Hij houdt zijn woord als het weêr in April, harreb. 3, LX a [1870].
- — Hij blijft bij zijn woord als een haas bij de trommel (als een haas bij zijn jongen, als de zon bij de boter, als het slijk aan het wiel, als een dief bij den bast (= ‘de strop’)), hij houdt zich niet aan zijn belofte.
- GHEURTZ, Adagia 18 b [1552]. HORNSTRA, Voedsel voor V. en H. 63 [1832]. HARREB. 1, 84 a [1858] en HARREB. 1, 271 b [1858]. harreb. 2, 274 a [1861].
- — Wanneer men zijn woord gegeven heeft, is de handel klaar.
- HARREB. 1, LXIX a [1858]. pitlo-v. rooijen, Woorden om Justitia 57 [1957].
- — Een woord hebben als een koning, een konings woord hebben, altijd trouw zijn beloften nakomen.
- rutten [1890].
- — Die man heeft e keunings woord, Verz. GEZELLE [Ruddervoorde, voor 1899].
- — Een man is niet beter dan zijn woord, gezegd door iemand die zich verplicht acht zich aan zijn belofte te houden.
- ZEGER, Prov. B ij v° [1551]. GRUTERUS 1, 103 [1610]. tuinman [1727].
- — Een man is seker niet beter als zijn woort: Soume wat beloven en houwen 't niet? dat was schandt, coster 518 [1613].
- In de variant: het woord maakt den man.
- Het woord maekt den man, bij liev.-coopm. [1750].
- — Een man van zijn woord e.d., iem. die zich aan zijn beloften, afspraken, verbintenissen houdt.
- Ghehoort hebbende dat hij voor een man van zijn woorden ghehauden was, v. vaernewijck, Ber. T. 2, 324 [1567].
- Hij heeft hem verweten dat hij geenen man van sijn woort en was, bij liev.-coopm. [1683].
- Dit (t.w. de nieuwe ”Ternataansche Kimelaha”) was een man …, die … in alle voorvallen getoond heeft een man van zyn woord, en een zeer naaukeurig opvolger van de contracten te zyn, valentijn, O.-I. II, 2, 37 a [1724].
- Welkom, Nigt; kom, jy bent een meid van je woord, en daar hou ik van, WOLFF en DEKEN, Leev. 1, 193 [1784].
- Die op een God steunt …, die moet, die kan een vast man zijn, een man van zijn woord, beets, St. Uren 8, 19 [1875].
- — Een man een man, een woord een woord, men moet zijn belofte (afspraak, verbintenis) nakomen.
- GRUTERUS 2, 140 [1611]. TUINMAN 1, 251 [1726]. v. dale [1872 ?].
- — Neen, een man, een man, een woord, een woord; ik heb 'et je, as 't nout, Hier weêr te keumen, toe ezeid, v. bogaart, Nieuwsg. Aegje 28 [1679].
- Ook in den vorm: een woord een woord, een man een man.
- V. HALL, Ned. Spreekw. in N. Bijdr. Regtsgeleerdh. en Wetg. 3, 298 [1853]. MOLEMA in Taalg. 1862, 267.
- — Nu dan, ik houde U bij het woord (een woord een woord, een man een man), willems, Br. 182 [1843].
- — Zijn woord houden als een vrouw, zijn belofte niet gestand doen.
- Hout u woord als een vrou, gruterus 2, 149 [1611].
- Mergh d. Ned. Spreekw. 2, 26 [1644]. TUINMAN 2, 220 [1727]. harreb. 2, 459 b [1861].
- — Een woord is een woord, dat gaat daarheen, gezegd als menschen veel beloven, maar hun beloften niet nakomen.
- Een woort, is een woort, dat gaet dar hen, Gem. Duytsche Spreckw. (ed. KLOEKE) 23 [1550]. SARTORIUS III, 1, 96 [1561]. harreb. 2, 480 a [1861].
- — Zijn woord is zijn zegel, men mag hem op zijn woord gelooven, wat hij zegt is waar; hij houdt zich aan zijn belofte.
- Sijn vvoord is sijn seghel, GHEURTZ, Adagia 30 a [1552]. GRUTERUS 2, 142 [1611]. TUINMAN 2, 220 [1727]. LIEV.-COOPM. [1955]. ghijsen [1964].
- — Oock laet mi gheloouen om mijn ghenesen Dat v belieft heere en mi te ghelooven steet V woert es v seghel amen, j. v.d. dale 119 [c. 1516].
- Mondragon, beloofde op zijn woord, dat hy Allegonde, die op Maeslands sluys was gevangen, met noch vier andere soude vry leveren, of hy soude sich selve wederom in hechtnisse stellen. Doch zijn woord was zijn zegel, soo dat hy alles trouwlijck, doch nae verwijlinge van vijf maenden, volbrachte, PERS, Ontst. Leeuw 463 a [1647].
- ( Don Juan) antwoorde, dat hy alles wilde voltrecken, wat by den Staten was belooft, sonder datter yet soude haperen, want zijn woort was syn zegel, 581 b [1647].